hoer ahalalhallel lu yah g d zij geloofd hiephiep
ge
wit schon
wijveken
HIER
van daan
zo veele heuglijke
Lofzangen by heilige en onheilige volkeren & sujetten,
als 'er zegepraalen en heldhaftige daaden vermeld worden.
Zelfs hadden onze aaloude Voorouders geen andre jaarboeken, noch geschiednischriften,
dan deeze Lofzangen en Heldedichten.
Zo vind men in de H. Schrift
by alle groote uitkomsten, overwinningen, en verlossingen,
Lofzangen en Vreugdwonder, als Deborah, David, Mosjeh, en anderen te zien is.
Geen wonder, dat gantsch Israel ter gedachtenisse van de gadelooze verlossing uit Egypten,
een gedenk- en danklied had, en volvrolijk op de hooge feesten die wonderdaad opzong,
in en buiten den Tempel.
Want ieder weet, wat een Lofzang zy;
en niemant onzer kan onbewust zijn, dat David dusdanige Liederen in grooten getale gedicht hebben,
tot een heilig gebruik der Tempel-zangers, of zijner Hovelingen,
of des gantschen volks.
Op 't Paaschfeest galmde gantsch Israel zijne verlossing uit,
door een vreugdgezang, dat zy 't groot Hallel en Egyptisch lied noemden,
en't bestond uit Psalm 113, tot 118 ingesloten.
Dit vreugdgezang verbeelden zy in twee leden;
en zongen voor het Paaschmaal, Psalm 113 en 114, maar na den maaltijd, als zy den vierden drinkbeker
ontfingen, de overige dank- en lof-liederen, van Psalm 114 tot 118 vol uit.
Of Israel dit van de Profeeten voorgeschreven zy, lust ons niet te betwisten, en is van weinig aanbelang.
Meer heeft het in te bepalen, of Christos dien zelven Lofzang met zijne Leerlingen gezongen hebbe.
Hier over zijn de Godgeleerden niet eens, en sommigen van gedachten, dat Christus eenen nieuwen Lofzang, die in 't 17de Kap, van Yochanan, als een gebed voorkomt, zoud opgeheven hebben:
anderen willen, dat hy een ander, en nieuw lied, toepasselijk op zijn lijden, zoud gemaakt,
en uitgegalmt hebben.
Maar dit beide heeft weinig schijn:
want, of wel verscheidene voorvallen verscheide Liederen voortbrengen, gelijk de Moedermaagd,
als zy die wondermaare van haaren Wonder-zoon hoorde;
Simeon, als hy den beloofden Heiland omarmde, en anderen by andere gelegenheid deden,
kan echter zulks hier geen plaats hebben; omdat alle de Discipelen mede,
en eenstemmig t' zamen zongen, dat van een nieuw gedicht en onbekend lied niet kan begrepen worden.
Ook behelst het 17de Kap. van Yochanan geen zang, maar gebed,
en ongebonde rijmlooze reden, die zich minvoeglijk aan zekere wijze en zang-trant vinden laat:
daar nochtans 't grondwoord hymneezantes, nadruklijk aantoont
eene zangkundige verheffinge van stemmen, die te gelijk geschied, of geschieden kan,
en daar in van 't sprken onderscheiden is, volgens het bekend zeggen:
dat men wel te gelijk zingen, niet spreken kan.
Zo betekent ook 't Hebreeuwsch, schir, niet alleen zeker lied,
maar berijmd en gelijkeindigend gezang,
waar voor de LXX Overzetters.
het Grieksch tekstwoord
gebruiken.
Yesjoea zei:
'NU
is de grootheid van de Mensenzoon zichtbaar geworden, en door hem de grootheid van G d.
Als G ds grootheid door hem zichtbaar geworden is, zal G d hem ook in die grootheid laten delen, nu on-middellijk. Kinderen, ik blijf nog maar een korte tijd bij jullie. Jullie zullen me zoeken, maar wat ik tegen de Judaeers gezegd heb, dat zeg ik nu ook tegen jullie: "Waar ik heen ga, daar kunnen jullie niet komen!" Ik geef jullie een nieuw gebod: heb elkaar lief. Zoals ik jullie heb liefgehad, zo moeten jullie elkaar liefhebben. Aan jullie liefde voor elkaar zal iedereen zien dat jullie mijn leerlingen zijn!'
'Ik ga ergens naartoe waar jullie nog niet kunnen komen, maar later zullen jullie mij volgen!'
Wees niet ongerust, maar vertrouw op G d en op mij. In het huis van mijn Vader zijn veel kamers;
zou ik anders gezegd hebben dat ik een plaats voor jullie gereed zal maken?'
Wanneer ik een plaats voor jullie gereedgemaakt heb, dan kom ik terug.
Dan zal ik jullie met me meenemen, en dan zullen jullie zijn waar ik ben.
Jullie kennen de weg naar waar ik heen ga.
Toen zei Tomas:
Wij weten niet eens waar jij naartoe gaat, Heer, hoe zouden we dan de weg daarheen kunnen weten?
Yesjoe zei:
Ik ben de weg, de waarheid en het leven.
Niemand kan bij de Vader komen dan door mij.
Als jullie mij kennen zullen jullie ook mijn Vader kennen,
en vanaf nu kennen jullie hem, want jullie hebben hem zelf gezien!
Wie mij gezien heeft, heeft de Vader gezien: waarom vraag je dan om de Vader te mogen zien?
Geloof je niet dat ik in de vader ben en dat de vader in mij is?
Ik spreek niet namens mezelf als ik tegen jullie spreek, maar de vader die in mij blijft, doet zijn werk door mij, geloof me: ik ben in de Vader en de vader is in mij.
Als je mij niet gelooft, geloof het dan om wat hij doet!
Waarachtig, ik verzeker jullie: wie op mij vertrouwt zal hetzelfde doen als ik,
en zelfs meer dan dat, ik ga immers naar de Vader.
En wat jullie dan in mijn naam vragen, dat zal ik doen,
zodat door de Zoon de grootheid van de Vader
zichtbaar wordt.
Wanneer je iets
in mijn naam vraagt, zal ik het doen.
Als je mij liefhebt, houd je dan aan mijn geboden.
Dan zal ik de Vader vragen om jullie een andere pleibezorger te geven, die altijd bij je zal zijn:
de Geest van de waarheid. De wereld kan hem niet ontvangen, want ze ziet hem niet en kent hem niet.
Jullie kennen hem wel,
want hij woont
in jullie
en zal
in jullie
blijven.
Ik laat
jullie niet als wezen
achter: ik kom
bij jullie
terug.

Asih, man, 80 jaar
Log in om een reactie te plaatsen.
vorige
volgende