PCC: Tot voor kort was de herinnering uit mijn jeugd het enige bewijs dat er een huis bestaat dat van binnen groter is dan van buiten.
Het was het huis van de moeder van mijn vader. Het lag aan de rand van Maastricht, en als jongetje van zes mocht ik er in de herfst-vakantie logeren. Op een regenachtige namiddag bevond ik mij op de trap die naar de zolder leidde. Waarom ik daar was - ik was alleen -, weet ik niet meer, maar ik herinner me dat je om er te komen eerst door de slaapkamer van mijn grootmoeder moest. Boven het bed hing een groot, donker schilderij van de gekruisigde Christus. Als je de extra deur in de slaapkamer opende, kwam je bij de trap naar de zolder. Bij iedere tree die ik hoger ging, was er minder licht. Boven was het bijna helemaal donker. Maar aan het eind van de zoldergang - ik wist dat met de zekerheid van een kind - lag het
andere huis. Het bezat oneindig veel andere kamers, en de de enige toegang, dacht ik toen, was deze. Ofschoon de ruimte mij geweldig trok, en de drempel uitnodigend was, durfde ik er niet binnen te gaan.
Ik was bang dat de wereld zou ophouden.
De derde hemel. Jaren lang heb ik van dat andere huis gedroomd.
Ik ging er nooit binnen. Want steeds wanneer ik over de drempel wilde stappen, schrok ik wakker. Onlangs kwam ik erachter dat er nog een andere ingang is. Mark Danielewski schrijft erover in
Het Kaartenhuis. Het moest hetzelfde 'andere' huis zijn.
Dankzij Danielewski ben ik erachter gekomen wat het is. Allereerst bestaat het huis natuurlijk echt. Dat het alleen maar binnenkant en geen buitenkant heeft, betekent slechts dat je niet het gevoel kunt hebben dat je erbuiten staat. Het huis is ook een metafoor.
Een beeld voor de taal, hoewel
écriture een beter woord is. Een beeld voor God, en alles wat op zijn beurt voor God staat.
Een beeld voor je innerlijk, dat natuurlijk weer de structuur van een taal heeft en waar zich in het diepst van je wezen opnieuw God bevindt. Een beeld van het heelal, dat immers zelf ook niets heeft wat zich 'erbuiten' bevindt. En ten slotte is dat huis tegelijkertijd een metafoor voor het lichaam van Christos, dat op zichzelf weer een beeld voor de kosmos is. En zo, dankzij Danielewski en het huis van mijn grootmoeder, begreep ik opeens waarom bepaalde passage uit de brieven va. Paulo's mij zo fascineren. Zoals het slot van de autobiografische passage in 2 Korinte 11:22 - 12:9. Paul verhaalt hier van zijn tochten door Klein~Azië & Griekenland, oneindige afstanden over land & zee, zijn gevangenschappen, hoe hij tot vijfmaal toe (!) die 'veertig-min-één' ontving (negenendertig bijna dodelijke zweepslagen), gestenigd werd, schipbreuk leed & op de vlucht was voor mensen uit zijn eigen volk en uit den vreemde.
Zijn herinneringen gaan over in de beschrijving van 'n merkwaardige mystieke ervaring (2 Korinte 12:1-4)
'Moet er geroemd worden? Het dient nergens toe, maar dan zal ik het gaan hebben over visoenen
& openbaringen v/d Heer!
Ik ken een mens in Christus die veertien jaar geleden ~ in het lichaam of buiten het lichaam, ik weet het niet, God weet het ~ werd weggerukt naar de derde hemel. Van die mens weet ik dat hij ~ met het lichaam of zonder het lichaam, ik weet het niet, God weet het ~ werd weggerukt naar 't paradijs & onzegbare woorden vernam die geen mens mag uitspreken. Paulus spreekt over 'n gebeurtenis die het huis van zijn lichaam en geest niet kan bevatten.
Hij betreedt het andere huis, dat hij de derde hemel noemt, de plaats waar vlg. oude joodse verhalen het paradijs gelegen is.
't Komt mij, Chai, allemaal vagelijk bekend voor: we zijn hier voorheen eerder geweest .....
Anyway, slaap zacht, droom zoet & tell us all about it if you really want to do so. ALS we we "Er Niet Meer Zijn" dan bevinden we ons misschien wel 'aan de andere kant', 'gene zijde', 'elders', 'in g ds armen', 'de zoveelste hemel' of 'wie weet waar'? Ik weet 't niet, maar 't Idee spreekt me aan, speciaal 'na 't flauwvallen', bewusteloos raken, dromen & 'op totaal andere plaatsen aankomen'. Wie weet .............