De oudst bekende stedelijke beschaving was Sumeria & de godsdienst exemplarisch voor de rest van Mesopotamia.
Godsdienst speelde ooit de belangrijkste rol: men kende duizenden goden & godinnen, ieder met 'n specifieke taak belast, & 'r waren allerlei rituelen om al die goden gunstig te stemmen. Men hield zich dus zeer intensief bezig met godsdienstige rituelen want 't leven was keihard in Sumeria & elders in Mesopotamia. Men meende dat natuurrampen als droogte, overstroming, ziekte, mislukte oogsten & 't dichtslibben van rivieren veroorzaakt werden door misnoegde godheden. Ze geloofden dat hun goden de mensen uit klei hadden geschapen om hen behulpzaam te zijn bij hun werk: mensen waren zo dus dienaren van god(inn)en. Overigens stelden ze zich die goden voor in menselijke vorm & ook met menselijke eigenschappen, behoeftes & smaken: voedsel vormde dan ook de voornaamste offergave. 't Uitgebreide Sumerische pantheon weerspiegelde verschillende aspecten v/d wereld in goddelijke vorm: bijvoorbeeld de oogst, de wind & de zon.
Anu was de belangrijkste godheid als 'heerser des hemels'. Hij werd later opgevolgd door Enlil, de heer der winden.
Verder kenden ook bovendien nog circa 3000 andere goden: dorpen & voorwerpen hadden vaak elk hun eigen godheden.
Zo was Enlil vanwege z'n betrekkingen met de vochtige voor-jaarswind & 't beplantingsseizoen ook de god v/d schoffel & Enlils zoon Ninurta was de god v/d ploeg. Reïncarnatie & een hiernamaals waren nog onbekende begrippen voor de Sumeriers: 'r was toen geen speciale plaats waar de doden konden voortleven; geesten van de gestorvenen konden de levenden wel voortdurend in gevaar brengen, & ze moesten dus met regelmatige voedseloffers gunstig gestemd worden.
Priesters in tempels fungeerden als tussenpersonen (net zoiets als de bonusbankiers & hun parmantige politici van nu) tussen de goden & de mensen: zij leidden de dagelijkse erediensten ('beurzen'

& de grote jaarlijkse festivals, zoals Akitu, 't nieuwjaarsfeest, dat zo ongeveer ten tijde v/d lentenachtevening (eerste nacht v/d lente) viel.
Daarom bestudeerden ze de ingewanden van offerdieren, meestal schapen, om de wil v/d goden te weten te komen. Ook brachten ze offers, meestal geiten, runderen, schapen & vogels waarvan rechter-poten & nog wat onderdelen voor de goden waren: de rest werd opgediend bij de tempelfeesten. Ook sprenkelde men water over koren-schoven & trossen dadels, opdat de vruchtbaarheidsgoden voldoende regen zouden geven waarvoor priesters in ruil ook allerlei offerandes voor de goden ontvingen: kleding, bedden, stoelen, drinkgerei, juwelen & wapens. Die golden als 'goddelijk bezit' & werden opgeslagen in hun schatkamers. Kledij werd eerst aan goden aangeboden & vervolgens verdeeld over priesters & tempelbeambtes: de beste kleren naar de hogepriester, terwijl de schoonmakers de allerlaatste keus hadden. [H]eerlijk alles 'samen' delen: suikergoed & marsepein voor 'allen'.
