Je
zou je
grandioos vergissen
als je dacht dat al onze verhalen
ook echt zo gebeurd waren
als we ze beschrijven.
Dat wisten de vertellers vroeger ook wel,
althans min of meer,
want de tijd waarin hun verhalen zich doen afspelen
is nu eenmaal een heel andere tijd
dan het heden van de verteller.
Maar een verhaal is nu eenmaal een verhaal,
en dat betekent dat er een historische orde in wordt gevolgd:
eerst was er dit, en toen gebeurde dat, enzovoorts.
Op een andere manier kan een verhaal niet verteld worden.
Maar echt gebeurd, nee natuurlijk niet.
Religieuze mythen zijn niet historisch maar quasi-historisch,
ze volgen alleen maar de orde van een verhaal.
Een verhaal indelen bij een narratieve orde
wil kort en goed zeggen
het als een religieuze
mythe opvatten.
Die
schilderachtige verhalen!
Waren de mensen vroeger echt zulke fantasten?
Het woord 'fantasie' roept gemakkelijk iets op van een negatief oordeel,
maar 'verbeelding' zou daarom ook beter zijn.
Wat er in de primitieve mythen gebeurt
is het onder woorden brengen van de ervaring,
maar dan in termen
van verbeelding.
Wat
is verbeelding?
Helderheid daarover is gewenst,
om niet te ontsporen
of te doen ontsporen
omdat het tenslotte om de vraag gaat:
wat verbeelden de religieuze mythen dan?
Die vraag wordt duidelijk in zijn strekking,
als we het woordje 'verbeelden' voor deze gelegenheid
even anders spellen, en er ver-beelden van maken,
tot beeld maken.
Wat wordt ver-
beeld?
Verbeelding
in religieuze mythen is fantasie:
verzonnen voorstellingswerelden.
Niet zomaar, alsof ze ter plekke uit de duim gezogen waren,
maar ook niet de ver-beelding van iets of iemand,
het verbeelden is niet afbeelden.
Wat komt dan in beelden terecht?
De innerlijke verwerking van wat je een ervaring kunt noemen!
Zomaar ervaring?
Nee, ervaring opgedaan aan het leven zoals dat heet,
aan de barre of verheugende of vertroostende werkelijkheid,
die op de meest onverwachte momenten kan toeslaan,
en in het vat gegoten van een beeld,
dat zich juist door die ervaring opdringt.
Collectief: het gaat in de mythische beeldvorming om
een door de gemeenschap gedeelde ervaring,
en niet om die van
een enkeling.
Dat
kun je
demonstreren aan het leven in het
Mesopotamische Tweestromenland:
stormen vanaf de omringende bergen bedreigen de oogst
in het vruchtbare rivierengebied,
een ervaring die de hele gemeenschap menigmaal
(vanaf de sumerische tot aan de assyrische tijden)
heeft meegemaakt.
Soms werd de bedreiging afgewend,
een andere keer sloeg het noodlot toe.
Noodlot?
Dat woord kenden die samenlevingen niet.
Voor hen was de hele werkelijkheid persoonlijk.
Niet een 'wat' zit erachter, maar een 'wie'.
Niet het noodlot, maar Enlil, is de bedreiging,
en de allesverwoestende storm is zijn openbaring,
sterker nog:
IS
Enlil.
Enlil,
en met hem
de andere goden in boven- en onderwereld
zijn fantasie, in de zin van verbeelding.
Niet verbeelding van een zeker iemand,
al dan niet met hoofdletter, die ze een keer ontmoet hadden,
maar verbeelding van hun ervaring opgedaan aan een weerbarstige,
bij tijden levensbedreigende natuur.
Er is geen Enlil, evenmin is Enlil een andere naam voor
abstracte natuurkrachten, Enlil is fantasie, opgedaan aan de ervaring
van het bestaan, niet zomaar
een slag in de lucht.
Aan alle
religieuze mythologieen
liggen ervaringen ten gronslag,
die mensen opdeden aan een ontzagwekkende,
onbeheersbare wereld om hen heen,
waarvan ze zelf tegelijk deel uitmaakten.
De verbeelding is ver-beelding (tot beeld maken)
van hoe ze de wereld beleefden,
en dus heten ze 'expressieven', gevoelsuitingen.
Daarom bestaat er in de mythe geen kloof tussen boven en beneden,
tussen god en mens, hemel en aarde:
voor zijn gevoel komt een mens, in zijn ervaringen van elke dag,
zomaar de andere wereld van god en goden tegen.
In feite dus zijn
gevoelens.
Het
gaat hier
dus om de ervaring
van een gewelddadige natuur.
En niet zonder reden:
als een Mesopotamier vandaag de dag zou terugkeren
en zou moeten constateren dat er van heel zijn cultuur
niets meer over is,
zou hij zich niet verbazen.
Hij leefde in een wereld van natuurgeweld, dat alles ongewis maakt.
Een Egyptenaar zou zich, bij terugkomst evenmin verbazen:
dat zijn piramiden er nog altijd staan,
zou hem vanzelfsprekend
voorkomen.
De
mythische verbeelding
schept dus zijn voorwerpen,
ze treft ze niet aan.
De wezens die deze mythen bevolken zijn,
in onze termen gezegd:
verzonnen.
Maar dat zeggen wij, vandaag.
Voor die primitievere mensen was de verbeelding, het plaatjesboek,
zoals de religieuze mythe die voorschotelt,
hun wereld.
Niet een kopie, het is de echte wereld.
De enige echte: de wereld 'van betekenis'.
In de religieuze mythe is verbeelding en 'van betekenis' hetzelfde.
De religieuze mythe is de oudste wijze van onder woorden brengen.
Ze is geen primitieve filosofie
(hoe filosofisch mythen ook kunnen worden uitgewerkt),
geen beschrijving van de wereld zoals ze haar kenden
(hoeveel van hun kennis er ook inzit),
geen wetenschap van of voor mensen die nog
in de kleuterschoenen stonden
(die mensen waren even nieuwsgierig als wij vandaag),
maar op de wijze van de ver-beelding onder woorden gebracht
hoe ze hun wereld
beleefden.
Dat
maakt de mythe
tot een eigen genre.
Het fundamentele verschil tussen het onder woorden brengen van
de wereld op hun manier van de mythe
(de ervaring ver-beeld-end, tot beeld makend, beelden oproepend),
en onze 'moderne' manier,
die bestaat uit rationele benadering van welk vraagstuk
of welk probleem dan ook,
bevestigd dat
nog eens.
Ver-
beelding is
strikt genomen iets
van alle tijden en alle mensen.
Je kunt zelfs zeggen dat heel de taal ver-
beelding is van wat we meemaken en verwerken in onze gedachten.
Onder woorden brengen is altijd en overal beeldvorming.
Rationaliteit, kenmerkend voor onze manier van leven, betekent dat wij,
in onderscheiding van de z.g. natuurvolken, de ongebreidelde verbeelding meestal niet meer de vrije loop laten.
Bij ons controleert wetenschappelijk onderzoek de beeldvorming, althans,
wij pretenderen
dat we dat
doen.
Wat
een durf,
wat een moed, wat een fantastische onderneming om in een
zwijgend heelal je mond open te doen, en - via verhalen -
onder woorden te brengen waaraan je toe bent als mens.
Niet eerder vertoond, geen voorbeeld, geen gids die je bij de hand neemt,
maar op eigen gezag onder woorden brengen wie je bent,
wat je plaats is onder de hoge hemelkoepel,
waar je heil en waar je onheil in bestaat.
Dat is een ongelooflijke sprong in de ontwikkeling van mens en wereld,
een nooit eerder (?) vertoonde sprong!
De religieuze mythe als het product
van de mens als
een durfal.
Waren
religieuze mythes
een soort geloof, dat een samenleving erop na hield?
Niet een geloof in onze zin, want dat veronderstelt dat je ook niet kunt geloven.
Maar dat was buiten de orde.
Ons komen mythen als een geloof voor,
maar de aanhangers ervan weten niet dat het een geloof is,
zelfs het woordje 'aanhangen' gaat al te ver, want 'niet aanhangen' is er niet bij.
Van behoefte aan controle is al evenmin sprake, de gedachte komt zelfs niet in hun hoofden op. De mythe is de wereld zoals hij
in elkaar steekt!
Per definitie
is de mythe waar voor haar aanhangers.
Dat spreekt vanzelf, want de myhte is hun eigen creatie, hun eigen beeld-
vorming, een samenvatting van gedeelde, collectieve ervaring.
De mythdraagt dan ook een volk, de gemeenschap.
In latere tijden komt de omkering:
het volk moet de mythe
overeind houden!
Maar dan
is de mythe al
aan het
sterven
...
