De onmiddellijke aanleiding voor de opstand werd gevormd door onlusten in de provinciale hoofdstad Caesarea en door verscherpte maatregelen van procurator Florus tegen de Joden. Na straatgevechten werd een groot deel van de joodse bevolking van de joodse bevolking van Caesarea gedwongen die stad te verlaten. Ondanks joodse terughoudendheid was de maat nu dan toch uiteindelijk definitief vol, toen Florus begon met het in beslag nemen van de tempelschat in Yeroesjalayiem en met roof.
Dit bracht de meerderheid van de gematigde farizeeen aan de kant van de tot opstand geneigde zeloten. Bemiddelingspogingen van Agrippa de Tweede bleven zonder succes. Ook de priesterlijke leiding in Yeroesjalayiem sloot zich aan bij de opstandelingen. Elazar ben Chananja, overste der priesters, gaf de opdracht de offers voor het welzijn van de keizer stop te zetten. Dit was het eigenlijke sein voor het uitbreken van de opstand.
En voor de Joden in alle delen van het land, van Galilea tot de Negev en va de Golan en Transjordania tot aan de kust, werd dit het signaal voor de opstand. Slechts enkels grote joodse centra in het noorden van het land deden niet mee. Daaronder warende hoofdsteden van Galilea, Zippori & Tiberias, beide in meerdderheid door Joden bewoonde metropolen. Tiberias behoorde in deze tijd tot het machtsgebied van Agriooa de Tweede, de zoon van Agrippa de Eerste, die over delen van Galilea regeerde en een tegenstander van de opstand was.
De opstand werd in het begin gedragen door een grote volkswoede, die bijna alle joodse groeperingen in zijn greep had, zodat de Joden in korte tijd alle hulptroepen van de procurator op de vlucht joegen.
Yeoresjalayiem viel ook al gauw in handen van de opstandelingen.
Dat gold ook voor enkele goed versterkte burchtenm, waaronder Masada aan de Dode Zee met enorme wapenmagazijnen en voedselvoorraden, evenals Machaerus, een door Herodes gebouwde burcht aan de overzijde van de rivier de Yardeen.
Maar ook buiten Yeroesjalayiem probeerden Joden de macht te grijpen.
Anderzijds werden Joden uit veel hellenistische steden verdreven of werden ze, zoals in Beth SJean, omgebracht. Slechts in EEN stad van Dekapolis blven de Joden gespaard: in het Transjordaanse Gerasa, het huidige Jerash in Jordania.
Het was een nadeel voor de procurators van Judea, dat ze niet over een eigen regulier leger beschikten. Ze waren aangewezen op de hulp van de Romeinse stadhouders van Syria. Het duurde even voor deze troepen in Judea arriveerden.
De Joden konden zich daar militair intyssen op voorbereiden, zodat het hen lukte deze oprukkende troepen, zesduizend man onder het commando van de Syrische stadhouder Cestius Gallus, vernietigend te verslaan. Deze overwinning veranderfde wat tot dan toe een guerillastrijd was, in een reguliere oorlog.
Door de overwinning verenigden alle Joden zich in de strijd tegen de Romeinen. Dat de Romeinen deze nederlaag niet zouden accepteren, viel te verwachten, daar de provincie Judea van betekenis was en niet ver verwijderd lag van de belangrijkste vijand van de Romeinen, de Parthen.
In Yeroesjalayiem ontstond een verenigde leiding, die samengesteld was uit alle verschillende groeperingen van het volk. Men begon zich voor te bereiden op de Romeinse aanval!
Diverse veldheren werden naar de belangrijkste steunpunten van de joodse bevolking gestuurd. Daaronder de hoofdchroniqueur van de oorlog, Jozef ben Matityahoe ~ die later de naam Flavius aannam ~ als opperbevelhebber van de troepen van Galilea, waar hij begon met het versterken van de belangrijkste plaatsen.
Het ging daarbij niet alleen maar om plaatsen in de voormalige Romeinse provincie Judea, maar ook om steden in het koninkrijk van Agrippa II, die intussen geheel de zijde van de Romeinen gekozen had.
Het antwoorde van de Romeinen liet dan ook niet lang op zich wachten.
Keizer Nero stuurde een van z'n beste veldheren, Vespasianus, met een aantal legers naar het opstandige gebied.
Toen ging Mordechai z'n middagdutje doen. En z'n oude oogjes vielen meteen toe ...