Symboliek.
Daarop komt
alles neer. Al
ons doen en laten
berust op verbeelding. En de
praktijk veroorzaakt op haar beurt nog
meer illusies, [on]zekerheden, veronderstellingen,
associaties en overwegingen.
Het zondaar-zaligen {ontschuldigen},
is buiten twijffel het grootmagtig werk van den grootmagtigen G d,
en grooten Hoogenpriester, die verzoeninge heeft te wege gebragt.
Tot zulk een einde, moest de waare Hoogepriester niet alleen in zijn lichaam,
op 't vloekhout de zonde dragen, maar ook zijne ziel opofferen, en daar in lijden,
om ziel en lichaam der Gelovigen vrij te maken.
Hoe prangende zielabgsten hy onderging, blijkt uit zijne hartgrondige klagte, als hy uitroept:
MIJN G D! MIJN G D! WAAROM HEB JY MY VERLATEN?
Men zegge, of denke niet, die taal is wanvoeglijk in den mond des Middelaars,
die G d en mensch zijnde, van G d niet kan verlaten worden.
Dat die wonderknoop tusschen zijne G d- en mensch-heid, niet kan verbroken worden, sta ik toe:
maar dat hy niet lijden kan, en ongevoelig wezen, moet ieder ook toestemmen.
Had JC niet geklaagt, zoud men niet hebben konnen en moeten denken, hy heeft niet geleden:
hy is geen waarachtig mensch: hy lijd maar in schijn, gelijk eenige aaloude Dwaalgeesten dit stelden?
Nu hy smerten voelt, bewijst hy ons het tegendeel, en dat hy is een man van smerte, dat hy is een worm,
dat hy is van G d geslagen, en door zijne striemen en kruis-wonden, onze genezing kan worden.
Maar het verdient byzondere opmerkinge, dat Yehosjoea op het uiteinde van zijn leven,
dezelve woorden gebruike, die hem David in den mond legt,
in den aanvang van het morgen-offergezang.
MIJN G D! MIJN G D!
WAAROM HEB JY MY VERLATEN?
Woorden, niet van wanhoop, maar van innige ziele-smert,
waar door de Masjiach zich beroept op G ds alwetendheid, en gerechtigheid,
en vrijmoedig voor den Opperrichter betuigt, dat 'er geen WAAROM zy, dan zijn heilampt en borgtogt,
waarom hy dit lijden ondergaan moet.
MI HE'EMIN LISJMOEATENOE OEZROA YAHWEH AL-MI NIGLATAH?
Wie kan geloven wat wij hebben gehoord en aan wie is de macht van de eeuwige geopenbaard?
{Yeshayahoe 53}
Als een loot schoot hij op onder g ds ogen, als een wortel die uitloopt in dorre grond.
Onopvallend was zijn uiterlijk, hij miste iedere schoonheid, zijn aanblik kon ons niet bekoren.
Hij werd veracht, door mensen gemeden, hij was een man die het lijden kende en met ziekte vertrouwd,
een man die zijn gelaat voor ons verborg, veracht, door ons verguisd en geminacht.
Maar hij was het die onze ziekten droeg, die ons lijden op zich nam.
Wij echter zagen hem als een verstoteling, door g d geslagen en vernederd.
Om onze zonden werd hij doorboord, om onze wandaden gebroken.
Voor ons welzijn werd hij getuchtigd, zijn striemen brachten ons genezing.
Wij dwaalden rond als schapen, ieder zocht zijn eigen weg;
maar de wandaden van ons allen liet de eeuwige op hem neerkomen.
Hij werd mishandeld, maar verzette zich niet en deed zijn mond niet open.
Als een schaap dat naar de slacht wordt geleid,
als een ooi die stil is bij haar scheerders deed hij zijn mond niet open.
Door een onrechtvaardig vonnis werd hij weggenomen.
Wie van zijn tijdgenoten heeft er oog voor gehad?
Hij werd verbannen uit het land der levenden, om de zonden van mijn volk werd hij geslagen.
Hij kreeg een graf bij misdadigers, zijn laatste rustplaats was bij de rijken;
toch had hij nooit enig onrecht begaan, nooit bedrieglijke taal gesproken.
Maar de eeuwige wilde hem breken, hij maakte hem ziek.
Hij offerde zijn leven voor hun schuld, om zijn nageslacht te zien en lang te leven.
En door zijn toedoen slaagde wat de eeuwige wilde.
Na zijn lijden dat hij moest doorstaan, zag hij [het licht] en werd met kennis verzadigd.
Mijn rechtvaardige dienaar verschaft velen recht, hij neemt hun wandaden op zich.
Daarom ken ik hem een plaats toe onder velen en zal hij met machtigen delen in de buit,
omdat hij zijn leven prijsgaf aan de dood en zich tot de zondaars liet rekenen.
Hij droeg echter de schuld van velen en nam het voor zondaars op.
ELI ELI LAMAH AZAVTANI: RACHOK MISJOEATI: DIVREI SJA'AGATI: ELOHAI EKRA YOMAM WELO TA'ANEH
WELAILAH WELO-DOEMIYAH LI!
Mijn g d, mijn g d,
waarom heb jij mij verlaten?
Jij blijft ver weg en redt mij niet, ook al schreeuw ik 't uit!
"Mijn g d!" roep ik overdag, en jij antwoordt niet, 's nachts,
en ik vind geen rust.
{Psalm 22}
JIJ
bent de heilige,
die op Yisraeels lofzangen troont.
Op jou hebben onze voorouders vertrouwd; zij hebben vertrouwd en jij verloste hen,
tot jou geroepen en zij ontkwamen, op jou vertrouwd en zij werden niet beschaamd.
Maar ik ben een worm en geen mens, door iedereen versmaad, bij het volk veracht.
Allen die mij zien, bespotten mij, ze schudden meewarig het hoofd: "Wend je tot de eeuwige!
Laat hij je verlossen, laat hij je bevrijden, hij houdt toch van jou?"
Jij hebt mij uit de buik van mijn moeder gehaald, mij aan haar borsten toevertrouwd,
bij mijn geboorte vingen jouw handen mij op,
van de moederschoot af
ben jij mijn g d.