freak de junkie
~*~
Wat
we dus
zien opdoemen en
opkomen uit de verste verten
zijn symbolische weergaven van ons ontstaan,
onze kindertijd en puberteit,
Onwillekeurig ondergaat elke generatie
bepaalde veranderingen
en creatieve beeldvormingen
over de zin
van ons bestaan
en hoe we de wegen kunnen ontwaren om te gaan
vanuit onze duisternis
naar het licht?
Na
de Tuin
en de Zwerftochten,
komen we dan uit
bij het derde Grote myDiVerhaal
dat ook wel bekend staat als
de Uittocht uit Egypte,
dat met de Latijnse
naam als Exodus bekendstaat,
zoals ook het
betreffende bijbelboek
heet!
Dit
mydiverhaal begint
bij de nazaten
van Ya'akov/Israel in
een tijd dat een nieuwe farao
niet meer op de hoogte is van de voorgeschiedenis[sen]
en die de legendarische Yoseef
niet meer heeft
gekend ...
Hij
maakt het
volk van de
Hebreeers tot slaven [net
zoiets als in de gelijkenis van de verloren zoon],
die zware lichamelijke arbeid moeten verrichten inplaats van zoals vroeger
alleen maar seizoenarbeid vergezeld van hun kudden
of in tijden
van hongersnood en op
de vlucht voor
wilde woeste
horden ...
Mensenlevens
blijken nu
helemaal niets meer
waard te zijn net als
vandaag de mydidag als er
mensen van alle leeftijden
overal op de wereld 'de
benen nemen' om elders
hun geluk te
beproeven na
armoe!
Egypte
wordt dan
dus ook in
het hebreeuws 'angstland van
de duisternis'
genoemd
...
Het
mydiverhaal van
de uittocht ontspint
zich van de roeping
van Mosjeh in het land Midyan
[ergens in de richting van Wadi Roem op de grenzen tussen Arabia,
Asia, Africa en Europa?] ~
opnieuw een roeping,
net als bij Adam/Chewa en bij Avraham/Sara ~
via de 'tien plagen'
na Thera/Sarotini [?]
die Egypte treffen tot het dramatische mydi-hoogtepunt
van de uittocht
zelf.
In
de Psalmen
klinken dan ook
later lof-, klaag- en leerliederen door
op wat het volk Israel
door de eeuwen heen
als HET allergrootste
feest heeft
gevierd:
het
'puberale' Pesach,
dat 'de uittocht uit Egypte'
als belangrijkste gegeven uit
de oudere geschiedenis
in ere
houdt.
{Ps 78/81/105/106/114 e.d.}
'ha'azinah ami, torati; hatoe aznechem le'imrei-fi: eftechah vemasjal pi abiyah chidot mini-kedem'
Luister mijn volk, naar wat ik leer, hoor de woorden uit mijn mond.
Ik open mijn mond voor een wijze les, spreek uit wat sinds lang verborgen is.
Wij hebben het gehoord, wij weten het, onze ouders hebben het ons verteld.
Wij willen het onze kinderen niet onthouden,
wij zullen aan het komend geslacht vertellen van de roemrijke,
krachtige daden van Yahweh ['g d de Heer'],
van de wonderen die hij
heeft gedaan!
Hij stelde een richtlijn vast voor Ya'akov en kondigde in Israel een wet af.
Onze voorouders gaf hij de opdracht om die aan hun kinderen te leren.
Zo zou het volgende geslacht ervan weten, en zij die nog geboren moesten worden,
zouden het weer aan hun kinderen doorvertellen!
Dan zouden zij op G D vertrouwen, G ds grote daden niet vergeten en zich richten naar zijn geboden.
Dan zouden zij niet worden als hun voorouders, een onwillig en opstandig geslacht, onstandvastig van hart en geest, een geslacht dat G d ontrouw was.
De mannen van Efrayim,
bewapend met pijl en boog, trokken zich terug op de dag van de strijd.
Zij hielden zich niet aan het verbond met G d en weigerden te leven naar zijn wet.
Zij vergaten zijn grote daden, de wonderen die hij had getoond.
In het land Mitsrayim [Egypte],
in de vlakte van Tsoan zagen hun voorouders hoe hij een wonder verrichtte:
hij spleet de zee [tsunami/wind?] en voerde hen erdoor, als een dam hield hij het water tegen.
Hij leidde hen met een wolk overdag [Thera?], in de nacht met een lichtend vuur [Sarotini!].
Hij spleet de rotsen in de woestijn [Petra/Sela!] en leste hun dorst met een watervloed,
het water stroomde als rivieren
[Wadi Moesa/Elja ...]
...
Maar zij bleven tegen hem zondigen, de Allerhoogste [Elyon] tergen in de woestenij.
Met opzet daagden zij G d uit en riepen om eten
zoveel als ze wilden!
Zij beledigden G d en zeiden:
"Zou God in staat zijn een tafel te dekken in de woestijn?
Toen hij op de rots sloeg, vloeide er water, stroomden er beken ~
maar zou hij zijn volk ook brood en vlees kunnen geven?"
Toen Yahweh de Heer dat hoorde, ontstak hij in woede, een vuur laaide op tegen Ya'akov,
tegen Israel ontbrandde zijn toorn.
Want zij hadden G d niet geloofd,
niet vertrouwd op zijn hulp.
Hij gaf een bevel aan de hoge wolken en de deuren van de hemel gingen open,
manna om te eten regende op hen neer.
Hij schonk hun het koren uit de hemel, zij aten het brood van de engelen,
hij stuurde voedsel dat hen verzadigde.
Hij liet uit de hemel de oostenwind los, de zuidenwind wakkerde hij aan,
en vlees regende als stof op hen neer, vogels zo talrijk als zandkorrels aan de zee, hij liet ze vallen midden in zijn kamp, in een kring
om zijn tenten.
Zij aten en werden meer dan verzadigd, hij gaf hun zoveel als ze begeerden.
Maar nauwelijks was hun honger gestild, hun mond was nog vol eten,
of tegen hen ontbrandde G ds toorn, hij sloeg de vraatzuchtigen dood en bracht de sterksten van Israel om.
Toch bleven zij zondigen, op zij wonderen vertrouwden zij niet.
En hun dagen eindigden in leegte, hun jaren liepen uit
op een verschrikking.
Zodra er doden vielen, zochten zij G d,
zij kwamen tot inkeer en verlangden naar hem, dachten eraan dat G d hun rots was,
Yahweh, haElyon, de Allerhoogste, hun bevrijder!
Maar zij bedrogen hem met hun mond, met hun tong logen zij hem voor,
hun hart was niet aan hem gehecht, zij waren zijn verbond
niet trouw.
Uit erbarmen bedekte hij hun zonde,
hij wilde geen dood en verderf, dikwijls bedwong hij zijn toorn en joeg hij het vuur van zijn woede niet aan. Dan dacht hij: Ze zijn maar vlees,
adem die gaat en niet
terugkeert.
Hoe vaak tergden zij G d in de woestijn,
kwetsten zij hem in dat dorre land, hoe vaak keerden zij zich af en daagden zij hem uit,
krenkten zij de Kedosj Israel ['Heilige Israels']!
Zij dachten niet aan zijn helpende hand,
aan de dag dat hij hen verloste van hun belager en in Egypte tekenen verrichtte,
wonderen in de vlakte van Tsoan!
Hij veranderde hun rivieren in bloed,
uit geen waterstroom was meer te drinken.
[De gevolgen van de vulkaanuitbarstingen die gepaard gingen met aardbevingen, vloedgolven en allerlei nawerkingen!] Hij stuurde daarna de steekvlieg die hen opvrat, en de kikvors die verderf bracht.
Hij gaf hun gewas aa de sprinkhaan, aan de kaalvreter hun oogst.
Hij doodde hun wijnstokken met hagel, hun vijgenbomen
met ijzel!
Hij gaf hun vee aan de hagel prijs,
hun kudden aan het vuur van de bliksem.
Hij liet zijn woede op hen los, toorn, razernij, verschrikking, en zond hun rampen en onheil!
Hij baande een weg voor zijn toorn, hij behoedde hen niet voor de dood, gaf hun leven prijs aan de pest. Hij doodde in Egypte elke oudste zoon, de eerstgeborenen
in de tenten van Cham.
Maar zijn volk liet hij wegtrekken als een kudde,
hij voerde hen door de woestijn als schapen en geiten, hij leidde hen veilig, zij hadden niets te vrezen, het water van de zee had hun vijanden bedekt!
Hij bracht hen naar zijn heilig domein, naar de berg, met eigen hand verworven,
hij joeg vreemde volkeren voor hen uit, verdeelde hun land met het meetlint en liet Israels stammen wonen in hun tenten!
Maar zij daagden G d uit en tergden hem,
namen Elyon de Allerhoogste en zijn richtlijnen niet ernstig,
ze werden afvallig en ontrouw zoals hun voorouders, ze faalden als een bedrieglijke boog,
griefden hem met hun kaffer[offer]dienst op de hoogten
en wekten met hun godenbeelden
zijn afgunst!
Toen G d dit alles hoorde,
werd hij verbolgen en wierp hij Israel ver van zich af.
Hij gaf zijn woning in Sjilo op, de tent waar hij woonde onder de mensen.
En hij liet zijn volk gevangen wegvoeren, leverde zijn sieraad uit aan de belager,
gaf zijn sterke mannen prijs aan het zwaard!
Want hij was verbolgen
op zijn eigen bezit ...
Het vuur verslond jonge mannen,
zijn jonge vrouwen werden niet meer bejubeld, zijn priesters kwamen om door het zwaard,
zijn weduwen en wezen vonden
geen tranen meer!
De Heer Yahweh ontwaakte als uit een slaap,
als een strijder uit de roes van de wijn,
hij joeg zijn belagers terug,
bedekte hen met eeuwige smaad.
Hij verwierp de tent die bij Yoseef stond,
de stam Efrayim koos hij niet, nee, de stam Yehoedah koos hij,
de Tsionsberg heeft hij lief. Hij bouwde zijn heiligdom, hoog als de hemel,
en zette het vast als de aarde,
voor eeuwig ...
[Zijn keuze viel op David, zijn dienaar, hij riep hem weg bij de schapen,
haalde hem achter de zogende ooien vandaan en maakte hem herder van Ya'akov, zijn volk,
met vaste hand heeft hij hen geleid!]
En
zo zie
je maar weer
eens wat je allemaal
in liedjes en melodietjes mee
kan delen aan
'het volk'?
Gisteravond
was het
Freak de Junkie
weer eens die het
op zijn bekende eigen wijze deed.
Youp de Hoep doet 't weer
op ZIJN [rk] manier net als Hansje Teeuwen ons laat geeuwen
en Wim Kan dat zo goed kon, Toontje Hermans
en Wim Sonneveld op z'n step
of hoe ze verder ook allemaal mogen heten,
die Hollandse
scheten
...
Zo
heeft elke
tijd en elk
volk ook weer hun
eigen groupies
van onheilsprofeten
en inzegenende soepjurk
profet{ess}en, volkszangers en toppopshit
zangeressen, behang{st}ers, schilder{s}essen
en allerlei aanverwante
drolbaarzen
...
~@




~
Asih, man, 81 jaar
Log in om een reactie te plaatsen.
vorige
volgende