~*~
OP
het kantje
af: de radicale
kritiek van Immanuel Kant?
In
de eeuwen
tussen Thomas van
Aquino & Kant is er
heel wat over al die diverse
'godsbewijzen' afgetobd en doorgeploeterd ~ wat bewijst hoe
moeilijk het is om van algemeen verbreide inzichten
die niet langer meer
houdbaar zijn afstand te nemen ~
maar K gaf ze
de definitieve
'doodsteek'!
We
kunnen ons
beperken tot de
hoofdzaak ...
Allereerst
dat K laat zien
dat je niet van godservaringen kunt uitgaan
om het bestaan van God te bewijzen:
in zijn redenering komt K geleerden die dit bewijs
proberen te leveren
ver tegemoet,
met name door ervan uit te gaan
dat het meest omvattende terrein
van alle mogelijkheden
wereld{KOSMOS}
heet.
Als
met een
beroep op dit
meest omvattende terrein van alle mogelijke ervaring
het bewijs niet meer te leveren valt,
dan ook niet met ervaring
van delen
ervan.
Na
dit vastgesteld
te hebben toont
K aan dat met een verwijzing naar 'wereld'
het godsbewijs verstrikt raakt
in een innerlijke
tegenspraak.
Enerzijds
wordt beweerd
dat iets tot
de wereld behoort hetzij
als een
deel,
hetzij als een
oorzaak.
Als
de wereld
in haar totaliteit
veroorzaakt is door iets anders,
dan moet dat,
vanuit de wereld gezien,
een
externe oorzaak
zijn.
Anderzijds
wordt ervan
uitgegaan dat oorzakelijkheid
een proefondervindelijk verschijnsel is
dat behoort tot het geheel van alle mogelijke ervaring
en dan is oorzakelijkheid een deel
van de totale wereld,
een
intern wereldlijk
fenomeen.
Buiten
de ervaarbare
werkelijkheid om kun
je niet eens over oorzakelijkheid
spreken.
Een
tweede denkfout is
dat men meent
oorzakelijkheid te kunnen aantonen
tussen een noodzakelijk zijnde
en een toevallig
zijnde,
waarbij het noodzakelijk zijnde
als de oorzaak van het totaal
van alle toevallig zijnden
wordt voorgesteld?
DAT
kan alleen
gedacht worden,
NIET
aangetoond!
De keten van gevolgen
terug naar oorzaken
kun je niet doortrekken
van de empirische werkelijkheid
naar de transcendentale
werkelijkheid ...
Je
passeert dan
een grens die
niet gepasseerd
mag worden.
K
sluit zijn
kritiek af
met de uitspraak
dat de abstracte redeneringen
van de godsbewijzen voor geloof en theologie
van nul en generlei waarde zijn
[Kant,
Kritiek der reinen Vernunft,
1,2,3.7; Werkausgabe, IV,
559].
DAT
heeft men zich ter harte genomen,
sedertdien hecht men in kringen van wetenschap en theologie
geen enkele betekenis meer
aan de godsbewijzen.
Maar
daarmee is
nog lang niet
alles gezegd: het mydiverhaal
gaat door zonder zichtbaar
einde
~@~