De geest en geestlijke mensch is werkzaam, en kloek en waakt, en bid, en staat onwrikbaar in tegenspoed, en doet kloekmoedig belijdenisse der waarheid, en bedoelt, en werkt het goed: het vleesch, en vleeschlijke mens in tegenspoed is traag, en afkeerig van G d, en 't goede; en zoekt niets, dan wellusten, vermaaklijkheden, aardsche gemakken, en goederen, en schrikt voor lijden en strijden, en waakt, noch bid, noch onderwerpt zich den wille G ds, maar vlied het kruis, ergert zich, en verzaakt G d en Godsdienst, om 't genot van deeze weereld, en eene hand vol nietige dingen.
Dit groot onderscheid moet ons leren voorbedachtlijk te handelen, en noit op 't vleesch te steunen.
Hoe sterk ook de H. Apostelen waren naar den inwendigen mensch, hoe bereidwillig zy mogten zijn, om 's Heilands wil alles te lijden, nochtans waren zy menschen, en der menschlijke zwakheden onderworpen. Zie Paulus, dien hoogverlichten Paulus; hoor zijne treurtaal: het geen ik wil, dat doe ik niet, maar 't geen ik hate, dat doe ik, zegt die H. Apostel [in zijn brief aan de Romeinen {7:12 e.v.}
vanuit Korinte rond 't jaar 56].
Kortom, de wet zelf is heilig en de geboden zijn heilig, rechtvaardig en goed.
Is het dan het goede dat mij heeft gedood? Natuurlijk niet, het is de zonde. Maar om mij te doden heeft ze van het goede gebruik gemaakt; alleen zo kon duidelijk worden wat de zonde is. Door het gebod te gebruiken laat de zonde zien hoe verderfelijk ze is. Wij weten dat de wet het werk van de Geest is, maar door mijn natuur ben ik uitgeleverd aan de zonde. Wat ik doe, doorzie ik niet, want ik doe niet wat ik wil, ik doe juist wat ik haat. Maar wanneer mijn daden in strijd zijn met met wil, dan erken ik dat de wet goed is. Dan ben ik het niet die handelt, maar de zonde die in mij heerst. Immers, ik besef dat in mij, in mijn
eigen natuur, het goede niet aanwezig is. Ik wil het goede wel, maar het goede doen kan ik niet. Wat ik verlang te doen, het goede, laat ik na; wat ik wil vermijden, het kwade, dat doe ik. Maar wanneer mijn daden in strijd zijn met mijn wil, ben ik daar niet zelf de oorzaak van, maar de zonde die in mij heerst. Ik
ontdek in mij de wetmatigheid dat het kwade zich aan mij opdringt, ook al wil ik het goede doen. Innerlijk
stem ik vol vreugde in met de wet van G d, maar in alles wat ik doe zie ik die andere wet. Hij voert strijd
tegen de wet waarmee ik met mijn verstand instem en maakt van mij een gevangene van de wet van de zonder, die in mij leeft. Wie zal mij, ongelukkig mens, redden uit dit bestaan dat beheerst wordt door de dood? G d zij gedankt, door Yehosjoea de Masjiach, onze Heer. Met mijn verstand onderwerp ik mij aan de wet van G d, maar door mijn natuur onderwerp ik mij aan de wet van de zonde.
Had de Heere dan geen reden, om de zijnen zo ernstig aan te manen, en aan te sporen tot waken en bidden, op datze door de verzoekinge niet overwonnen zouden worden? Om hunnent wille brak hy zijn gebed af, wat konde hy beter, als hen tot bidden aan zetten, waar in zy, nu de nood aan den man ging, zo traag waren.
Blijkbaar probeert Sjapo dus verklaringen te vinden en te verduidelijken voor het probleem waarvoor deze
mensen zich gesteld vonden: er was een conflict tussen hun 'vleselijk' instinct en hun 'geestelijk' verstand!
Er heerst volop verdeeldheid onder de mensen. De ene zegt deze na te volgen, en de andere weer gene?
Hij probeert hun problemen op te lossen door te beweren & te bewijzen dat de weg van het navolgen van Yesjoea de enige juiste is omdat dit de weg van G d is. Hij beroept zich daarbij op de Joodse geschiedenis
door de eeuwen heen vanaf Adam & Eva, via Avraham, Yitschak, Ya'akov & Mosjeh tot en met profeten & de komst van de verwachte gezalfde 'priesterkoning' Yesjoe & roept daartoe alle beschikbare bronnen uit de joodse traditie te hulp die ooit geopenbaard zou zijn door de 'eest G ds'& vooral via Yehosjoe's leven &
sterven. Het ons afwenden van de afgoden & allerlei andere kwaden geesten vol van hoogmoed, jaloezie,
trots, ijdelheid, geniepigheid, valsheid, zelfzucht, botheid, agressie, haat en nijd. En door dat geestelijke inzicht het ons toewenden tot eenvoud, mededeelzaamheid, mededogen, barmhartigheid, nederigheid & eerlijkheid, openheid, gerechtigheid, ontferming voor elk mens en alle levende wezens in zorg, geduld en
liefdevolle samenwerking.
Al met al is er dus wel degelijk sprake van bepaalde ontwikkelingen in die afgelopen drieduizend jaar!
Zoals mensen hebben geleerd om ooit via onze mimiek en gebarentaal onze spreektalen te ontwikkelen,
zo ook hebben we in onze vertellingen en verhalen door de eeuwen heen getracht om uiting te geven aan
onze innerlijke gewaarwordingen en ontdekkingen: vandaar ook die geestelijke stromingen altijd & overal!
Zoals we hebben geleerd om stokken en stenen te hanteren, vruchten te plukken, huizen te bouwen en op jacht te gaan, kleding te maken, de grote kudden te volgen, landbouw te cultiveren en wat al niet, zo ook hebben volkeren in beweging en onder invloed van allerlei onderlinge contacten bijbelverhalen ontwik-keld over goed en kwaad, wenselijk en onwenselijk, 'vleselijk & geestelijk', problematisch en oplossend ...
Al die ontwikkelingen en gewaarwordingen gaan door tot op de mydidag van vandaag onder wederzijdse beinvloeding in alle landen ter wereld. Sommigen blijven kiezen voor allerlei heidense, joodse, hindoe-
istische, boeddhistische, christelijk orthodoxe, katholieke, islamitische & islamistische, reformatorisch protestantse & vrijzinniger wegen terwijl weer andere dat alles maar lariekoek vinden omdat ze er meestal niets van snappen of weten ... Net als met mimiek, gebaar, taal, techniek & aanverwante geesten: het is
wel zo handig als je elkaar een beter beter leert kennen en waarderen voordat je begint te vernoorden?!
Zonder enige kennis en/of begrip van & voor elkaar ben je nergens. Dan terug in 't oerwoud of erger nog: de stadsjungle met bendes, guerilla's, prachtige achterbuurten & hoogstmerkwaardige villawijken vol met
hardwerkende aandeelhouders, belastigbetalers en hun bedienden, zakenrelaties & onder-, boeven- en
bovenwerelden.
