~@~
Hoe
dan ook:
het blijft 'n
zeer boeiende zaak
om te zien hoe mensen door de eeuwen heen
hun meningen hebben geuit,
erover gepraat &
geschreven.
Drieduizend jaar
geschiedenis vol wisselvalligheden, alfabet
& rollen, boeken & vertalingen, hoofd- & bijzaken, opkomst & vergaan,
nadruk & verontachtzamingen?
Priesters & profeten,
discipelen & apostelen, geleerde & gewone mensen,
mannen, vrouwen &
kinderen ...
De godgeleerde Mat Gargon
en de jolige Betje met al hun voorgangers & nakomelingen
waar ook ter wereld!
Betjes taal was 't proza
& eventueel als concessie aan de tijdgeest 't berijmde proza,
in de eerste plaats omdat ze maar 'n uiterst middelmatig of misschien wel
helemaal geen dichteres was, maar ook de grote
'verheven' voorbeelden van haar jonge jaren,
de dames Van Merken & De Neufville hebben in de ogen van 't nageslacht eigenlijk
maar weinig echt dichterlijks, wat haar niet weerhouden heeft
ons slechts louter 'verzenboeken' na te laten.
Betjes taal werd 't proza,
omdat dat, veel losser van vormtradities,
haar de beste kans bood om als vrouw, als intelligente,
kritische, geestige & gevoelige vrouw
ronduit te spreken.
Theoretisch
heeft zij het gezag van het classicisme
en zijn wetgever Boileau nooit aangetast
en wat er van de ideeen van de opkomende romantiek,
bij voorbeeld in Van Goens' vertaling van Mendelsohns
Verhandeling over het verhevene & het naieve in de fraaie wetenschappen {1769},
naar hier overwoei,
heeft zij nooit als een nieuw evangelie aanvaard.
Het is op z'n minst twijfelachtig of zij zich bewust was van
een principiele ommezwaai, toen ze in haar
Gedachten over de Dichtkunde {achterin de
Bespiegelingen over den Staat der Rechtheid}
kordaat verklaarde:
"Slaafsch te volgen in het spoor van anderen behaagt mij niet" nadat ze twee jaar eerder zich als hoogste doel gesteld had om De Neufville & Van Merken
'van verre na te treden'.
Zij was geen theoretische & beschouwelijke geest,
ook al schreef ze 'bespiegelingen' en noemde ze zich graag 'philosophe'.
Haar filosofie was meer levenshouding en 'wellevenskunst' dan stelselmatige levens- en wereldbeschouwing.
En men kon
~ zeker in haar tijd ~
van 'n vrouw, bij uitzondering in de republiek der letteren toegelaten,
moeilijk het aplomb verwachten om als wetgeefsters op te treden
en haar natuurlijke uitingsvorm tot een nieuwe esthetisca te verheffen.
Dus eerbiedigde zij de verstarde wetten van vorm en stijl,
pikte hier en daar uit haar overrijke lectuur of uit de lucht die nieuwe ideeen op
waar haar natuur zich zpontaan aan verwant voelde en ...
ging op haar eigen stijlloze wijze haar gang op het terrein waar die wetten,
juist door hun verstarring, hun gezag reeds verloren hadden:
in de moralisatie waar die los kwam van 't verhevene,
dat het wettig domein der poezij was
en vooral in de polemiek.
In juli 1767
begon haar medewerking aan het spectoriaal tijdschrift
De Grijzaard,
waaraan zij onder het pseudoniem Silviana een reeks bijdragen leverde,
gezond-verstandige moralisaties over het dagelijks leven, over huwelijk en opvoeding,
over schijnheiligheid, laster en onnatuur, met hier en daar al een karikatuur of karakterschets
in wat op den duur haar eigen trant
zou blijken.
Het is duidelijk,
dat er voor Betje Bekker,
aan wier 'zedeloosheid' alle fijnen van Vlissingen hun vrome hart hadden opgehaald,
een zekere voldoening in school hier als gewaardeerd moraliste gehoor te vinden.
Maar daarmee
was haar wrok over de haar aangedane smaad,
haar berouw om het onberaden huwelijk waar die smaad haar toe gebracht had, niet verzoend.
Ze stortte zich in een vinnige polemiek tegen de starre rechtzinnigheid,
tegen de onverdraagzaamheid, tegen schijnheiligen & 'fijnen' &
haar ergernis werd de rijkste bron
van haar oorspronkelijkheid!
~@~
Tegenover
de uiteraard manlijke geest van Dordt,
tegenover de opgeblazenheid & kwasi-waardigheid plaatste ze met de scherpe intuitie
van het gekwetst gevoel
HAAR
strijdmiddelen van realistische ironie, de speldeprikken der niet te imponeren nuchterheid van
EEN
die de spelregels der waardigheid
niet kende.


