wayar yehoedah hamoseer oto ki hirsjiyoehoe wayinacheem wayasjev et-sjlosjim hakesef el-hakohanim hagdolim wehazkeenim leemor: chatati ki-dam naki hisgarti weheem amroe mah-lanoe welazot atah tireh
wayasjleech et-hakesef el-haheichal wayifen wayilech wayeechanak: wayikchoe rasjei hakohanim et-hakesef wayomroe lo-nachon lanoe letito el-aron hakarban ki-mechir damim hoe: wayityaatsoe wayiknoe-bo et-sdeeh hayotseer likvoerat hageerim: al-keen sjeem-hasdeeh hahoe sdeeh hadam ad hayom hazeh
...
De volgende ochtend vroeg namen alle hogepriesters met de oudsten van het volk het besluit Yesjoea
ter dood te brengen.
Nadat ze hen geboeid hadden, leidden ze hem weg & leverden hem over aan Pontius Pilatus, de prefect.
Toen Judas, die hem had uitgeleverd, zag dat Yehosjoea ter dood veroordeeld was was, kreeg hij berouw. Hij bracht de dertig zilverstukken naar de hogepriesters en oudsten terug & zei:
"Ik heb een zonde begaan door een onschuldige uit te leveren!"
Maar zij zeiden:
"Wat gaat ons dat aan? Zie dat zelf maar op te lossen!"
Toen smeet hij de zilverstukken de Tempel in, vluchtte weg & verhing zich.
De hogepriesters verzamelden de zilverstukken & zeiden tegen elkaar:
"We mogen ze niet bij de Tempelschat voegen, aangezien het bloedgeld is!"
Na ampel beraad kochten ze er de akker van een pottenbakker mee, die dan voortaan als begraafplaats
voor vreemdelingen kon dienen. Daarom heet die akker tot op de dag van vandaag de Bloedakker
...
ZO
is toen vervult geworden 't gene gesproken is door den profeet Yirmeyahoe, zeggende,
"En zy hebben de dertig zilvere [penningen] genomen, de waarde des gewaardeerden van de kinderen Israels, het bedrag waarop hy geschat was [voor een Joodse slaaf], en ze hebben dezelve gegeven voor den akker des potbakkers, volgens het gene de Heere {"Yahweh"} my bevolen heeft!"
ZO
smaaklijk & betoverend als 't genot der zonden is, zo bitter & doodlijk is ook der zelver nasmaak,
en uitwerking. Het gaat daar mede, als met bedrieglijk vergift, dat onder zoetigheden vermengd, en verborgen, graatig ingenoomen, en met vermaak genuttigt word; maar zodra het zijne krachten baart,
en door alle de licchaamleden verspreid is, de strelende zoetigheid jammerlijk verandert in onlijdelijke smerten, snijdingen der ingewanden, trekkingen der zenuwen, duizelingen van 't hoofd,
ontsteltenissen van alle ledemaaten, en eindlijk in eenen treurigen dood.
ZO
schadelijk, en schadelijker nog, is de zonde voor de ziel; en te verderflijker, als zy meerder vleid,
en streelt.
Hoe vermaakt zich de mensch in zijn wanbedrijf?
Hoe weinig ziet, en vreest hy 't vergif, dat onder het schijnzoet der ongerechtigheid verschuilt?
Hoe gelukkig acht hy zich, als hy zijne snoode bedoelingen, en verfoeilijke oogmerken bereiken mag:
en zo haast geniet hy die niet, of hy word doorsteken van innig verdriet, geknaagt van een onlijdelijk wroegen, en dat hem zo veel vreugd en genoegen beloofde, word tot smert, en beklaaglijke wanhoop,
die hem 't leven bitter, en den dood zoet, en wenschlijk maakt.
We hebben het al eerder & vaker gezien in de afgelopen jaren & blijven erop terugkomen:
al deze mydibijbelverhaaltjes gaan over ons allen als Elckerlyc in Alledagsland, want uiteindelijk zijn ook mydibijbelmensen precies zo als 'moderne mydimensen' in de grond van de zaak.
Van het Begin af aan tot en met de Apocalyps gaat het ook over onze eigen innerlijke wereld:
helse verdoemenis van onbegrip, domheid, jaloezie, hoogmoed, wantrouwen, achterdocht en angst,
maar ook over 't hemels g dsrijk van inzicht, begrip, rechtvaardigheid, mededogen, behulpzaamheid,
menselijke tevredenheid & echt geluksgevoel!