gestrooid.
Maar niet alleen zal de gaande en komende menigte der gemeene Jooden,
den Heiland zo smaadlijk bespotten en lasteren; de Overpriesters, en Schriftgeleerden,
en Ouderlingen, en Farizeen doent zelfs, schoonze wel ligt andre woorden gebruiken.
Die Mannen des gezachs, die op Mosjehs stoel gezeten, in deugd en G ddienst allen,
behoorden tot voorbeelden te zijn, en van 't kwaad af te trekken, vergeten hun gezach,
vervoegen zich by de dartele gemeente, en volgen haar onmenschlijke spot- en laster-zucht.
Wie zoud den grooten Raad op 't kruisveld zoeken?
Wie zulke aanzienlijke hoogachtbaare Mannen, by de doodstraffe verwachten?
Voornaamlijk in deeze tijdsgelegendheid, nu de Tempeldienst hen tot offeren en bidden riep.
Maar wat zouden zo doldriftige en bloeddorstige menschen bidden?
Wat met vermaak zien en horen, dan het lijden van dien elendigen,
van wien echter David had gezegt: welgelukzalig is hy,
die zich verstandelijk draagt tegen eenen elendigen?
Van wien scheen men verstandiger gedrag te moeten wachten, dan van de Overpriesters,
die gedurig in den Tempel en Tempeldienst bezig, in 't voorbeeld hadden konnen leren,
wat het tegenbeeld lijden moest?
Van wien had men deernis, en bestraffinge der gemeente te wachten, als van de Schriftgeleerden,
die in de wet geoeffend, door zedelessen, de hollende menigte hadden behoren te stillen, en dit kruis-lijden ter harte nemen?
Van wien konde men zedigheid, en ernsthaftigheid afwachten, als van de Oudsten des volks,
die boven allen uitmunten, om 't volk te beteugelen?
Van wien had men eindlijk meer en beter verwachting, als van de Farizeen, die zo nederig, zo heilig,
zo nauwgezet, en de bescheidendste onder de Jooden waren?
De Farizeen, die zo veel vermogten by het volk, door schoon gelaat en schijndeugd, en handwasschen,
en lang bidden, en 't geven der tienden van al hun bezit.
De Farizeen, die zich als heiliger, van allen afzonderden, en van die afzondering hunnen naam droegen;
die Schijnheiligen, den heiland en zijne volmaakte heiligheid niet konnende duiden,
staan hier, en aanschouwen met de Schriftgeleerden, Oudsten en Overpriesters, het lijden van Yehosjoea,
en wat zeg ik, dat zy 't aanschouwen?
Zy vermaken zich daar in, en bespotten hem met opgeschortte neuzen, als ware hy een valsch Leeraar, die de waare gerechtigheid verkondigt heeft, en beter heilgronden gelegt, als der Farizeen en Schriftgeleerden.
Hierom voegenze by de schimpgebeerden, nog een onlijdelijke lastertaal, en zeggen: anderen heeft hy verlost, hy kan zich zelven niet verlossen.
Galbitter verwijt! was 't eene misdaad, iemant te verlossen, og het eigen ken-teken van den Messias?
Maar die woorden pogen den lijder verdacht te maken, als of alle zijne wonderwerken verdicht, of door Beelzebub geschied waren, gelijk zy G dlooskijk in zijn leven zeiden: deeze werpt den Duivelen niet uit, dan door Beelzebub, den Oversten der Duivelen!
Ziet gy niet, o g dvergeten Raad, dat gy u zelven beschuldigt, als gy Yesjoea dit toeduwt?
Kortom:
het is eigenlijk altijd en telkens weer het oude liedje!
De aard van het beestje is nog steeds muchomachohomobilesbonobonaal in al z'n ups & downs.
De duivel schijt op de grote hoop, g d delft ogenschijnlijk het onderspit,
en de ketters gooit men in 't vuur of stelt ze anderszins
buiten gevecht uit angst,
domheid, zelfzucht
& haat.
