Een vreemd 'myDi'~geluk: voorspel, orgasme, naspel
'G*dsbeelden' {V}
=
"De idee van de Voorzienigheid
beschouw ik [...] als een infantiel vaderbeeld.
Niettemin geloof ik (vanzelfsprekend)
met volle overtuiging in die voorzienigheid.
Misschien komt dat wel omdat ik in mezelf geloof.
Overigens geloof ik alleen in mezelf omdat er iets in mij is
dat ik niet zelf ben."
=
DEZE passage
kan meteen als waarschuwing dienen om K. te scharen onder het banier van een atheistische religiositeit,
een begrip dat het laatste decennium in humanistische kring
opgeld doet.
Het is een misleidend begrip,
zeker bij K.
Als je bij tijd en wijle
de vreugde in je voelt,
ontkom je er niet aan om haar toe te denken
naar een persoonsvormig wezen
buiten plaats en tijd!
DIE impuls is even ridicuul
als onontkoombaar?
De vreugde zoekt een gespreksgenoot,
een bewustzijn dat het jouwe gelijkt
omdat je nu eenmaal niet anders dan in menselijke voorstellingen
denken kunt ...
=
ALLEEN ZO,
met een denkbeeldig iemand tegenover je,
laat de vreugde zich volledig beleven;
ze verlangt er innig naar
om zich met die Onbekende
te verbinden.
=
Als rationeel wezen
weet je dat Max Stirner gelijk had:
dat de mens zijn eigen schimmen voortbrengt,
de mysticus niet minder dan
de eenvoudige man.
Vanuit DAT gespleten bewustzijn ontstaat de ironie,
de religieuze ironie,
een verschijnsel dat we in ONS land kennen
dankzij het werk van onder meer
Faverey, Lucebert en Reve.
DIE ironie
ontkent niet
de religieuze ervaring,
zij is er een uitdrukkingsvorm van,
een wijze van zeggen en beleven waarbij ALLES in het midden blijft,
die zekerheden ondermijnt
ZONDER
het gevoel
te loochenen.
Ze
kiest niet
tussen theisme en
atheisme,
nee,
in een goede bui gunt ze
BEIDE
wat hun toekomt en vaart Intussen haar
EIGEN,
onbestemde koers.
Haar bescheiden inzicht is
dat we het beste maar een beetje
kunnen
schipperen!
Wil
je waarachtig blijven,
DAN
zit er weinig anders op dan laveren tussen geloof en ongeloof,
devotie en verwerping,
spot en ernst?
Als de 20ste eeuw
op religieus gebied
IETS
waardevols heeft voortgebracht,
dan is het
DEZE
ironie
...
=
PIANO
=
Vallen NU
nieuwe conclusies
te trekken over
Kertesz' eerste roman?
Amper!
De roman zelf bevat geen nieuwe aanwijzingen
die een religieuze duiding van de titel toestaan ...
Met K.'s dagboek in handen kun je er hooguit een zekere grondhouding
in herkennen,
door de auteur onwillekeurig overgedragen
op zijn alter ego.
Gyurka heeft een zekere beschouwelijkheid en onthechtheid
met zijn schepper gemeen,
als ook een kennelijk talent
voor geluk.
=
DAT geluk kan zich
verdiepen tot mystieke vreugde,
alleen gebeurt dat niet in de roman.
WEL in het leven van de volwassen K.,
die pas NA Gyurka personages creeert aan wie hij iets van zijn religieuze inborst en metafysische bespiegelingen
kwijt kan.
Gyurka leent zich daar NIET voor,
HIJ heeft een eigen taak te vervullen.
Hij dient in de EERSTE plaats als instrument
om Camus' Sisyphusmythe in een ander,
moderner licht te plaatsen.
K. wilde die mythe aanscherpen,
herformuleren,
hervertellen op basis van
zijn EIGEN
lotgevallen.
=
LATER,
veel later,
het is dan al 1991,
zal K. dat nog een keer doen,
aan het slot van Dagboek van een galeislaaf.
De laatste pagina daarvan
vertelt het verhaal over een ouder wordende man, een pianist die
iedere vrije minuut van de dag gebruikt om te kunnen spelen.
Hij kruipt achter zijn instrument
en begint te improviseren,
ELKE dag DEZELFDE melodie,
een melodie die uitmondt in telkens NIEUWE VARIATIES,
bij elkaar genomen een
EINDELOZE reeks.
=
Maar het is net
of hij de klanken die hij voortbrengt
ZELF niet kan horen;
hij lijkt verdoofd door de kracht die hem dag in dag uit dwingt
om achter de piano plaats te nemen.
Of de buitenwereld
zijn muziek
WEL
hoort?
=
"De vraag is zinloos,"
besluit Kertesz deze op Kafka geinsprireerde parabel,
'dat moet iedereen kunnen inzien,
maar de musicerende man moeten we ons natuurlijk als gelukkig
voorstellen.'
Deze slotzin is een letterlijk citaat van een andere slotzin,
namelijk van Camus' essay uit '42:
"We moeten ons voorstellen dat Sisyphus
gelukkig is!"
=
Jan Oegema
is uitgever en publicist:
in 2003 verscheen van hem "Een vreemde geluk;
de publieke religie rond Auschwitz'.
Trouw de Verdieping:
Letter & Geest
d.d. 02/10
2004
@
'nu
nog
een eind
fietsen over de hei
of door het bos:
tussen zon,
wind en
regen'
...

Asih, man, 81 jaar
Log in om een reactie te plaatsen.
vorige
volgende