De
Geleerde Heeren
zijn 't niet eens,
of de Raad in dezelve plaats,
of in de gewoone raadkamer, Gazith,
die aan de zuidzijde des Tempels,
en van konstig geplaveide steenen gebynaamd was,
vergaderd was.
Die het laatste staande houden,
zeggen, dat Judas d'ontfangene penningen in den Tempel wierp,
als de Raad dien bloedloon niet wilde wedernemen;
waar uit zy besluiten, dat bygevolg de Raad in den Tempel vergaderd was.
'T heeft schijn, maar ook meer niet:
want die van andere gedachten zijn, zeggen daar tegen,
dat Johannes uitdruklijk betuigt, dat zy JC leidden van Kajafas,
dat is 't huis, of paleis van Kajafas, naar 't Rechthuis:
want dat inwoonders meermaalen genomen worden voor de huizen die zy bewonen,
is by de Latijnen, en andere volkeren bekend.
En hoe konnenze Jezus uit het hof van Kajafas geleid hebben in 't Rechthuis,
indienze niet in 't hof van den Hoogenpriester, maar in den Tempel vergaderd waren?
En hoe zoudenze buiten oproer, daar ze nochtans zo voor schroomden, Jezus uit,
en in den Tempel hebben konnen brengen, daar nu de feestvierende menigte vroeg heen trok,
om de Paaschofferen te slachten, waar mede zy het zevendaagsch feest vieren, & van eten moesten?
Zouden de feesthouders Jezus geboeid hebben in den Tempel zien komen,
onder 'n drang van krijgs- & dienstknechten?
Wy stellen dan de vergaderplaats weder in 't huis van Kajafas.
Hier willenze schijnen de zaak tehervatten en niet ligtvaardig te handelen.
Ook sprak hunnen stokregel den Rechter gelukzalig, die zijn oordeel liet deessemen, of rijpen.
En wat glimp zoudenze 't voor Pilatus, dien schranderen weereldkundigen, hebben gegeven,
indien ze onbedacht en voorbaarig, zo gewigtige zaak hadden voldongen?
In de zaale van Kajafas dan weder gekomen, brengenze Jezus weder voor den Raad,
& tegen hem voorgaande strikvraag in: zijt gy de Christos? Gy, die zo gering zijt,
matigt gy die hoogwaardigheid aan, dat gy de langbeloofde Masjiach, en Gezalfde des Heeren zijt?
Zeg het ons, die als Richters over u zitten! Maar Jezus zich hier over verontwaardigende,
en de redenloosheid deezer aanwijzende, antwoord: indien ik het u zegge, gy zult het niet geloven,
en indien ik u ook vraage, gy zult niet antwoorden.
Zie
ook Lucas
22:66 e.v.
Toen
het dag werd,
kwam de raad van oudsten van het volk bijeen,
hogepriesters zowel als schriftgeleerden, en ze leidden hem voor in hun raadszitting.
Ze zeiden:
"Als jij de messias bent,
zeg het ons dan!"Maar Yehosjoea antwoordde:
"Als ik het u zeg, gelooft u mij toch niet.
En als ik een vraag stel, zo antwoordt gij toch niet.
Maar vanaf nu zal de Mensenzoon gezeten zijn aan de rechterhand
van de Almachtige!"
Toen zeiden allen:
"Waarvoor hebben we nog getuigenverklaringen nodig?
We hebben het immers zelf
uit zijn eigen mond
gehoord?"

