Chapeau
roept zijn
gemeente van aanzwellende
'wereldburgers'
op
om te leven
in de eensgezindheid
als Yehosjoea haNatsri
aka haMasjiach &
omschrijft Yesjoea
die hij zelf nooit heeft
ontmoet in levende
lijve ongeveer
aldus:
hij die bestond uit g ds licht
heeft zich daarom niet boven ons verheven
in onbereikbaar verre hemelen,
maar zich helemaal aan ons gegeven
in zijn belichaming van 'n goede vriend die alles
voor je over heeft,
zo is hij aan ons gelijk geworden
en wij aan hem:
als klein kind al voorbestemd
tot iets zeer bijzonders,
en sindsdien voortlevend in zijn volgelingen,
vrienden, kennissen, vreemden
en allerlei buiten~
landers
...
In zijn dood
hebben wij het eeuwige leven gevonden
als een donker licht vanbinnen
sterker dan
de zon!
Hij bestond
in de gestalte van G d
en heeft zich er niet aan willen vastklampen
om aan G d gelijk te zijn:
hij heeft zichzelf volkomen ontledigd
en de gestalte van een slaaf aangenomen:
aan de mensen gelijk geworden.
Als mens verschenen
heeft hij zich vernederd
tot de planten en de andere dieren:
hij werd zo
gehoorzaam tot aan zijn dood
~
zijn dood
aan het kruis symboliseerde
de overwinning
op al het
kwade!
De
meest waarschijnlijke
uitleg van deze beschrijving van Yesjoea de Verlosser
is dat hij eerst in zijn pre-existentie &
'komende aanwezigheid & wording in ons',
bij "G d" & 'aan g d gelijk was',
en dat hij zich vervolgens steeds verder
'ontledigd' heeft, wat wijst
op zijn indaling
uit 'hogere sferen'
naar onze aarde,
zodat hij aan alle
mensen gelijk is geworden
& als 'n slaaf onder ons leeft. Hieraan moet dan nu worden
toegevoegd dat deze tekst ook wel wordt verklaard met betrekking tot Yesjoea's leven op aarde,
waar hij als een soort van "Tweede Adam",
voorgeschapen naar
g ds beeld en
gelijkenis heeft
geleefd.
Ietwat
anders dan
die 'eerste' Adam
de Mensenzoon, wilde hij,
althans in deze visie, juist
NIET
'als g d zijn'
{GEN 3:5},
& heeft dus 'g d'
[gemaakt in kleine mensenbreinen]
zich gemaakt tot de 'slaaf'
in ieder van ons:
die komende aanwezigheid
vloeit nu voortaan
over in de lichamelijke 'menselijker' gestalte
& 'g dgelijkheid' naar 't
'beeld' van g d
dat wij
'worden'?
