Opmerkelijk dus
dat mensen in chaotische tijden van onrust,
ziekten, bezettingen & verdrukkingen blijven uitzien naar verlossing & bevrijding
via dromen, visioenen, hallucinaties & fantastische toespraken e.d.!
En dat wij in onze veilige hoekjes en gaatjes daarvan afscheid nemen &
ogenschijnlijk genoeg hebben aan de illusies van sterreklame, saaie aanprijsadvertenties
voor de gekste artikelen, populistische prutbewegingen & wat conformistisch gewauwel
over niksigheden & flauwekul!
Driehonderd jaar geleden heerste er
ten tijde van de slavernij nog volop 't besef van een hemels koninkrijk
van een almachtige God die alles bestierde en bepaalde volgens zijn alwetende Wil
met engelen en geesten, raadselachtige boodschappen & 't paradijs
achter de wolken voor alle [on] heilige & zondige schepselen
& hoogst merkwaardige volkeren her en der!
Wat is nou eigenlijk zo'n periode van slechts 300 jaar?
Mattheus Gargon gaat alsmaar verder
en door op de gebruikelijke wijze van die tijd en plaats & zegt:
Maar zoud 'er wel iets in de zalvinge van Maria zijn, dat ongerijmd en bestraffens waardig ware?Die liefdeplicht kan niet wanvoegelijk geacht worden, dan by liefdeloozen en ongelovigen!
Was het zalven niet gemeen by de Jooden, en tot bewijs van toegenegendheid?
Of moest, en mogt deeze vrouw haare toegenegendheid, niet tot den Heiland bewijzen,
die haaren broeder zo wonder- en krachtdaadig had van den dood verlost,
en die hier nu aanlag nevens anderen, tot blijk, dat hy waarlijk leefde?Moest en mogt zy haare dankbaarheid niet betuigen voor zo ongehoorde weldaad?
Hier in misdoet Maria immers niet: maar zoude misdaan hebben, was zy ondankbaar geweest.
Maar zal Judas zeggen, de zalf-olie is te dierbaar, en word nut- en nood-loos verspilt.
Dit maakt de liefdedaad te prijswaardiger, als de geurzalf kostlijker is.
Wat zoud een mensch niet geven voor de behoudenisse zijner ziel?
Kan Maria den Heiland aanmerken als haaren Verlosser, en iets te dierbaar achten, om hem te eeren,
en d' oprechtigheid van haar geloof te bewijzen?
Het geloof acht alles drek by Christus: wat vind Judas hier dan in?
Zal hy Christus berispen, dat hy dit verlies niet voorkome?
Maar die geloof-daad konde hem niet onaangenaam zijn,
dewijl het zonder geloof onmooglijk is Gode te behagen: hoe sterk was ook 't geloof deezer vrouwe, datze JC begreep, als zullende sterven en begraven worden,
en dus als Hoogepriester door lijden de zijnen heiligen.
Was dat begrip bestraflijk, of schriftmatig, en de grond de zaligheid;
was de zalvinge der Priesteren verkwisting?
Was het zalven en toestellen der dooden verkwisting?
De Jooden stelden de begravingen en zalvinge der dooden,
onder de werken der barmhertigheid.
Wat verkwistinge was dan hier?
En had JC geen reden,
om deeze liefdedaad te verdedigen,
waar in 't geloof van Maria zo heerlijk doorstraalt,
dat hy haar, als een voorbeeld, voorstelt der
volgende eeuwen en huishoudinge des
NT wanneer 't heilrijk door
de geheele wereld zoud
uitgebreid zijn, volgens
het profeetisch
woord.
