OP dat de vrouwen oog-getuigen mogten zijn van deeze blijmaare, vermaant de H. Engel haar dieper, en in de grafplaats in te gaan, en neder te zien in de neder-inschietende grafkelder, waar in het licchaam van JC gelegd was, en daar men in konde gaan met eenige trappen, en de wederzijdsche lijksteden met gemak be- schouwen.
ZO wil de H. Engel, dien niemant konde verdenken, dat zich de vrouwen nader begeven, om te zien, dat het lijk hier niet was, gelijk hy gezegt had, en uit de zweet- en windsel-doeken,die daar lagen, te konnen besluiten, dat niemant hem weggenomen had.
KOMT HERWAARDS, zegt de H. Engel, TREED TOE, KOMT NADER, OM ALLES ONDERSCHEIDENDLIJK TE ZIEN, EN VOLKOMEN OVERTUIGD TE ZIJN, DAT HY NIET MEER IN 'T GRAF, MAAR UITGEGAAN ZY.
ZIET, voegt hy 'er daarom by, de plaats, daar de Heere gelegen heeft, daar hy na zijnen kruisdood ter aarde was besteld, en na drie dagen begraven is geweest, maar nu niet meer is, nu hy den dood overwonnen heeft, en zijn kruislijden door zo wonderdaadige opstandinge verheerlijkt.
DOCH niemand verwondere zich over dit wonderwerk. want schoon hy, als de verachtste der menschen, is gehoond, gelasterd, gekruist, hy is echter de Heer der Heeren, de grootmagtige G d, en Vorst des levens: die nu van den Vader, tot eenen Heer, en Koning, gemaakt is, gelijk hy van eeuwigheid daar toe gezalfd, en in de volheid des tijds gekomen is in de weereld.
DE H. Engel erkent dien Gekruisten voor zijnen Heer, van wiens wil en wenk hy, en alle hemelingen moeten afhangen.
MAAR ook door zijnen kruisdood de heerschappy verkregen heeft, en zijn heil-rijk op zijn vergoten bloed gronden moet, waar voor zich buigen zullen alle Koningen der aarden: want dit is de nadruk van 't voorwoordeken, ton, DIEN Heere, dien grootmagtigen, die zich een volk verkregen, en tot een eigendom gemaakt heeft, en daar toe verrezen is, om zijn geestlijk Koninkrijk te aanvaarden, den schepter zijner sterkte uit Tsion te zenden, en te heerschen in 't midden zijner vyanden.
VREEST dan niet, gy, die hem vreest, en zoekt te behagen, maar laat de Joodsche BLOEDRAAD vrezen, tegen welken zijn toorn, WEL HAAST ONTBRANDEN ZAL.
Laat PILATUS vrezen, dien hy wel haast zijne rechtvaardige wraak zal doen gevoelen. Laat de WACHT vrezen, die zijne hand gevoelt, en zo verbaasd de vlucht gekozen heeft: DE HEERE IS OPGESTAAN, EN ALLE ZIJNE VYANDEN ZULLEN VERSTROIT WORDEN: maar alle, die hem vrezen en aannemen, bevestigt worden, en leven: WANT HY IS HET LEVEN, EN DE OPSTANDING, EN WIE IN HEM GELOOFT, ZAL DEN DOOD NIET ZIEN.
Konde de H. Engel de vrouwen krachtiger troosten, en tegen de vrees sterker wapenen, dan met die blijmaare van 's Heilands opstanding, uitbreiding van 't heil-rijk. en verdelging aller vyanden?
Geen wonder dat al zijn tegenstanders van alle tijden en plaatsen diep in hun hart doodsbenauwd zijn voor zo'n geloof dat al het oude wil 'omtoveren' tot 'iets nieuws' dat uitgaat boven alles dat ooit aan hen 'vertoond' was tot nu aan toe ...