Maar
dit is
nog alles niet,
wat ons hier geleert word,
de schaare der wederkeerende & treurende Jooden,
moet ons de regte bekering leren,
& Jezus almagt
doen vrezen.
Wie
zoud de verbaasde menigte
zien op de borst slaan, & niet denken,
die menschen hebben opregt berouw, die smeken om genade,
die hebben verbrijzelde
harten?
Maar
wat verschilt
het uiterlijke dikwijls,
& al te dikwijls, van
het innerlijke?
Men
slaat vergeefs
op de borst, als de ziel
niet geraakt
is.
Men
zucht, men
klaagt, men schreit
vruchtloos, als men
zijne zonden niet
gevoelt &
verfoeit.
Wat
baten Ezaus
traanen?
Wat
helpen Judas
klagten?
God
eischt een
heilig, en gelovig
hart, geen uitwendige grijns, geen gescheurd kleed,
geen huichel-
gelaat.
De
droefheid naar
de weereld, kan
de weereld verblinden, & doen geloven,
dat men oprechtlijk zijne zonden betreurt; maar de droefheid naar God, kan Gode alleen behagen:
om datze uit liefde tot God, & niet alleen uit vreeze
voor de straffen,
voortspruit.
In
de waarachtige
bekeering, moet de mensch
geheel & al bekeerd, & veranderd zijn, om zich geheel,
& al, te verlochenen, & JC in zich
te laten
leven.
ZO
spreekt de
H. Schrift van
den nieuwen
mensch.