Terug dus naar Mattheus Gargon uit 't Vlissingen van 300 jaar geleden & zijn visie op 't land van {n}ooit?
Waar vandaan kan troost & vreugd voortkomen, dan uit den hemel, daar niets dan vreugd & ruste woont?
Wat toch zouden die Apostelen vermogen, die van droefheid zo overwonnen zijn, dat ze slapen, en niet waken konnen? ["Vader, als jij wilt, neem dan deze beker van mij weg. Maar laat niet wat ik wil, maar wat jij wilt gebeuren!"] Hoe konden ze ooit die hartbrekende treurtaal van JC horen, hoe zijne demoedigheid,
en benauwdheid zien, en niet van overgrote droefheid overstelpt worden?
Maar ziet hier een voorbeeld van 's Heilands zachtmoedigheid: hy vind de zijnen in deezen uitersten nood
slapende, en ondergaatze met tederhartige verdraagzaamheid: hy spreekt Petrus aan, en zegt tot hem: kunt gy dan niet een uure met my waken?
Hoe kloek was Petrus in woorden! Hoe zwak is hy in 't uitvoeren!
Hy, die voor zijn Yesjoea ter dood roemde te zullen gaan, kan niet een oogenblik met hem waken.
Zo weinig kent de mensch zich zelven: en zo rechtvaardiglijk word hier Petrus, en in hem 't gantsch elftal berispt. Hoe, Petrus, wil de heiland zeggen, zoud gy voor my alles, ja den dood zelven ondergaan, en niets magtig zijn uwe kloekmoedigheid te verbazen, en zijt gy reeds zo vermoeid, zo geest- & krachtloos, dat gy niet een eeure in deeze mijne beklemmende smert kunt waken?
Is 't nu slapens tijd? Is 't nu tijd om zorgloos te zijn, nu de vyand naby, en 't gevaar zo groot is?
Is dit uwe beloofde standvastigheid? Is dit uwe onverschrokke dapperheid?
Waakt en bid, op dat gy niet in verzoekinge komt, want de helsche Leeuw gaat rondom u, en zoekt u allen te verslinden. Waakt tegen zijne lsiten, om in de strikken des Satans niet te vallen: en bid, om dat gy zonder G ds bystand, de verzoekingen niet kunt te boven komen.
Zo leert die Opperleeraar in 't allervolmaakst gebed ieder gelovige zeggen: leid ons niet in verzoekinge, of in die verzoekinge, die in de weereld, en over de Kerke komen moest, en reeds ten deel gekomen is.
Hoe weinig menschenkrachten die konnen doorworstelen, toont Yehosjoea wijders, en zegt: de geest, dat is, 't wedergebooren deel, en de ziel verlicht door G ds Geest, en genade, is wel gewillig, en volvaardig om my volstandig aan te kleven; maar het vleesch, 't onherbooren deel, de natuurlijke beweging, en vleeschlijke genegendheid, is zwak, en magteloos om den wille G ds te doen, en der verdrukkingen zich te onderwerpen.
Anders is 't vleesch krachtig, en veel te krachtig in ons, en sleept ons in weerwil van den nieuwen mensch,
dikwijls gevangen onder de wet der zonde: waar over Paulus zelf moet uitroepen: ik elendig mensch! wie
zal my verlossen uit het lichaam deezes doods?
Weet je dan niet, geliefde broeders & zusters ~ ik spreek immers tot mensen die de wet kennen ~,
dat de wet alleen gezag over 'n mens heeft zolang hij leeft? 'n Getrouwde vrouw is door de wet gebonden aan haar man zolang hij leeft, maar wanneer hij sterft is zij van deze verplichting ontslagen. Als ze zich zolang haar man in leven is met iemand anders inlaat, noemt men haar overspelig. Maar sterft haar man,
dan is ze niet langer aan de wet gebonden, dan pleegt ze geen overspel wanneer ze de vrouw van 'n an-dere man wordt. Zo zijn ook jullie, lieve broeders & zusters, dood voor de wet dankzij de dood van onze Masjiach en behoor je nu een ander toe: hem die uit de dood is opgewekt. Ons leven moet vrucht dragen
voor G d. Toen we ons nog lieten leiden door onze eigen wil, werd ons bestaan beheerst door zondige hartstochten die de wet in ons opriep en droeg het alleen vrucht voor de dood. We waren aan de wet ge-ketend, maar nu zijn we bevrijd; we zijn dood voor de wet, zodat we niet meer de oude orde dienen, maar de nieuwe orde van de Geest.
Moeten we nu vaststellen dat de wet hetzelfde is als de zonde? Absoluut niet!
Ik ben me echter pas door de wet bewust geworden van de zonde. Ik zou immers niet weten wat begeerte was als de wet niet zei: "Zet je zinnen niet op wat van 'n ander is!"?Maar de zonde heeft van het gebod gebruik gemaakt om begeerten in mij op te wekken, want zonder de wet is de zonde krachteloos. Eens leefde ik zonder de wet, maar door de komst van het gebod kwam de zonde tot leven en daardoor stierf ik. Het gebod, dat tot leven had moeten leiden, bleek juist tot mijn dood te leiden. De zonde heeft gebruik gemaakt van het gebod: ze heeft mij misleid en mij door het gebod gedood. Kortom, de wet zelf is heilig en de geboden zijn heilig, rechtvaardig en goed.
Is het dan het goede dat mij heeft gedood? Natuurlijk niet, het is de zonde!
Maar om mij te doden heeft ze van het goede gebruik gemaakt; alleen zo kon duidelijk worden wat de zonde is. Door het gebod te gebruiken laat de zonde zien hoe verderfelijk ze is.
Wij weten dat de wet het werk van de Geest is, maar door mijn natuur ben ik uitgeleverd aan de zonde.
Wat ik doe, doorzie ik niet, want ik doe niet wat ik wil, ik doe juist wat ik haat. Maar wanneer mijn daden in strijd zijn met mijn wil, dan erken ik dat de wet goed is. Dan ben ik het niet die handelt, maar de zonde
die in mij heerst. Immers, ik besef dat in mij, in mijn eigen natuur, het goede niet aanwezig is. Ik wil het goede wel, maar het goede doen kan ik niet.
Wat ik verlang te doen, het goede, laat ik na; wat ik wil vermijden, het kwade, dat doe ik.
Maar wanneer mijn daden in strijd zijn met mijn wil, ben ik daar niet zelf de oorzaak van, maar de zonde die in mij heerst. Ik ontdek in mij de wetmatigheid dat het kwade zich aan mij opdringt, ook al wil ik het goede doen. Innerlijk stem ik vol vruegde in met de wet van G d, maar in alles wat ik die zie ik die andere wet. Hij voert strijd tegen de wet waarmee ik met mijn verstand instem en maakt van mij een gevangene van de wet van de zonde, die in mij leeft.
Wie zal mij, ongelukkig mens, redden uit dit bestaan dat beheerst wordt door de dood?
G d zij gedankt, door Yesjoe de Masjiach, onze Heer. Met mijn verstand onderwerp ik mij aan de wet van G d, maar door mijn natuur onderwerp ik mij aan de wet van de zonde.
En zo zie je maar weer hoe 't gemiddelde muchomachohomobilesbonobobolleboosje G d kan vinden?
Van 't allereerste begin af aan, voorzover wij weten, hebben mensen geesten en goden ontworpen om tot
hulp en steun te dienen in de woeste weerwaardigheden van het menselijk [plantaardig/dierlijk] bestaan!
Onze dierlijke gevoelens & verstandelijke menselijke vermogens vechten 'n robbertje in ons mydibrein.
En wij doen daar verslag van op allerlei mogelijke [en onmogelijke] manieren.
Waarvan akte.








