Augustus van Hippo leidt one blik naar omhoog om te denken aan G d in onze preveling van Psalm 8:
'Als ik de hemelen zie, 't werk van jouw vingers, de maan & de sterren ~ wie is dan de mens, dat jij naar hem omziet?'
Nochtans verwoordt de psalmist daar in enen de troostende kus van G ds mond ~ hoe wij ons ook gedragen:
"Toch heb jij hem haast tot een godheid gemaakt, hem met glorie & luister gekroond. JIJ hebt hem gesteld over het werk van jouw handen & alles aan zijn voeten gelegd!"
Overeenkomstig Genesis blijft de mens geschapen naar G ds beeld & gelijkenis.
Als wij al bijna goddelijk zijn, deel hebben aan G d, hoe veel eenvoudiger mogen wij Haar dan ook nu nog tegemoet treden,
om vergeving vragen & opnieuw, door Haar getroost, de roeping in ons leven aanvatten.
Want Zij heeft ons bekleed met een kracht als de Hare.
Zij heeft haar oog in ons hart geplant om ons te tonen hoe groot Haar werken & wij Haar heilige naam prijzen.
