Een tweede vriend die zij omstreeks 1766 leerde kennen
en die meer nog aanspraak mag maken op de eer haar literaire 'voogd' te zijn geweest,
was de Haarlemse Doopsgezinde predikant en redacteur-oprichter der
Vaderlandse Letteroefeningen Cornelis Loosjes.
Wat er aan getuigenissen van deze vriendschap overbleef:
EEN
brief in bijbelstijl
en de
Brief aan Vredemond, opgenomen in de
Lier-, Veld- en Mengelzangen van 1772 spreekt meer nog dan van literaire & geleerde uitwisseling van gedachten,
van een echt 18de eeuwse dweperige & sentimentele vriendschap die steeds meer haar grenzen verliest naarmate ze nadrukkelijker de 'woeste driften' afwijst
en de "Reden" boven de "Lust" stelt.
Betje heeft - het pleit voor haar eerlijke spontaniteit en het heeft haar menig traantje gekost -
zich nooit naar het
'hoed u voor de schijn'
willen richten, maar het is wel verwonderlijk, dat de brave ds. Wolff,
zelf toch ook van zijn omgeving een geleerde van naam, de angel der jaloezie in het hart stak,
wanneer hij las van 'de Vredemond mijner Poesi, aan wiens Onderwijs ik mijn geheel Geleerd wezen
{'t zij dan klein of groot} schuldig ben' of van de 'vriend, die al mijn zielsgeheimen weet'
of wanneer hij de Haarlemse menistenleraar, bij zijn familie bekend als een droog, dor en lastig man, hoort weeklagen:
"Lief schepsel, zag ik u nog eens zo gelukkig als mijn hart u wenscht!"Toch zijn het noch de geleerde lessen van Loosjes geweest,
noch de zorg waarmee hij de verzen van haar dichtwerk in vier zangen
Walcheren {1769}
'beschaafde' tot ze zo 'glad' waren als zijn classicistische smaak dat wenste,
die Betje op de weg van haar eigenlijke talenten hebben gebracht.
Noch was het de inspiratie van hun tedere betrekkingen, noch van die andere 'hartsvriendschap'
met Gerrit van der Jacht van Zaandam, alias "Ernst", 'de jonge zanger, wiens haar bruin ende gekruld is,
als het haar Abzalons des zoons Davids, die door Yoav gedood werd, ende wiens gedaante schoon is als het licht des daags', gelijk Betje schreef en bij wiens plotseling verschijnen ter pastorie 'de jalouzie, die 't harte verteert, ende 't huis afbreekt met haare handen, stond op, ende vertrok niet voor dat de jonge zanger was heengegaan'.
Wilden haar beste kwaliteiten tot hun recht komen: haar levendige, springerige geest, die telkens contact maakt, haar weinig verheven maar scherp ironisch en spotziek vernuft, haar liefde voor de natuur en vooral voor het natuurlijke en haar spontaan verzet tegen alles wat klein en vals was,
dan moest ze heenbreken door die dam van laat-classicistische traditie, die de letterkunde tot 'digtkonst'
en die 'digtkonst' tot het handwerk van in de mythologie gekonfijte 'puikpoeten' had gemaakt.
Ze moest allereerst haar eigen taal durven spreken, en dat was niet de taal der poezie, alle lof van ds. Loosjes ten spijt. Dat was ook niet de gemoedelijke rijmelarij van haar
Brief aan Ernst. al vloeide die even gemakkelijk als de adem van haar lippen en was deze spreekvorm der dichtgenootschappers haar zo vertrouwd, dat ze onmiddellijk na het sterven van haar man en verlangend naar haar hartsvriendin Aagje naar de pen greep:
"Ach Deken! Deken Ach! Mijn waarde Wolff! mijn man,
In 't holst des nachts ... 'k Zit voor zijn ledikant te lezen;
Hij spreekt met mij, hij sterft, valt in mijn arm, ik kan
Niet schrijven. Hemel, moest ik juist allenig weezen!"
En Aagje, in 't minst niet beduusd, antwoordt onmiddellijk voor ze naar de Beemster snelt:
"Wat 's dit ... Mijn God! uw man ... reeds dood ... Wat zegt uw brief?
Ik beef ... dat's onverwacht ... O wisselloop der dingen!"
Eigenlijk zouden de Nederlandsche Filmmakers er hun werk van moeten maken om haar leven op 't witte doek te brengen, of er een televisieserie aan te wijden: zulk een roemruchte tijden als de hare en zo'n merkwaardig leven lijkt mij toch wel de moeite waard om 't volk te verblijden & meer gnot te bezorgen!
Leve de tijdreizerij door al die plaatsen en via personen die een boeiend {?} leven hebben gehad en ons wat meer plezier in ons bestaan hebben verschaft: alle floddertokkies witbroodeters komen toch ook voort
uit die verre bronnen van vaderlandsche gebeurtenissen en deszelfs moedertaal eeuwen later?
Eerst maar eens een hapje eten & een slokje drinken voordat ik mij naar d' oude Dinah begeef beladen met kattenbrokjes, gemengde granen & legkorrel!
Tot straks
[of later]!


