Eigenlijk
zijn alle mydibijbelverhaaltjes
heel gewone alledaagse gebeurtenissen over normale mensen met
de gebruikelijke neigingen tot bijgeloof, zwartkijken, witwassen,
op- & versieren, aanstellen
& overdrijven?!
Het enige aparte
is dat men ze in een algemeen verband heeft samengevoegd,
verteld, geschreven door 'g d' erbij te halen:
om onverklaarbaarheden, mysteries, problemen & verschillen van mening op te lossen
verklaart men die het domein van g d als gezaghebbender
& uiteindelijk zegenrijker dan het rijk van satan
de duivel!!
'n Tamelijk
eenvoudig/gecompliceerd proces
van opmerkelijkheid, herinterpretatie
& blijven samenvatten
INEEN?!!
Hoe
geef je 't leven zin:
door zelf zin aan te geven &
1001 losse mogelijkheden met elkaar te combineren
tot een groot epos met een verondersteld begin
en een mogelijk einde: op grond daarvan
'gedraag' je je?
Laten we verder zien
wat Mat ervan brouwt zo'n 300 jaar geleden
in ons eigen Zeeland op grond van zo'n 1700 jaar & meer daarvoor
@ Middenaarde met haar uiteenlopende Aardkinderen
& migrerende nomaden!
Hun vrijwilligheid
blijkt uit aller toestemming,
want als Sjim'on Petros aka Kefas zegt:
IK GA VISSCHEN!,
zeggen de overigen:
WY GAAN MET U!
Waar uit af te nemen is, datze allen visschers,
& aan-zee-woonders moeten geweest zijn.
Want volgens 't Joodsch recht,
stond het zulken alleen toe
met een
SCHIPKEN,
gelijk ons hier voorkomt, & met
NETTEN
te visschen,
daar andere stamlingen in de voornoemde zee met den hoek,
of angelroede alleen hengelen mogten:
want dus luid de wet:
HET IS IEDER, JOOD, namentlijk, GEOORLOOFD IN DE ZEE VAN TIBERIAS TE GAAN VISSCHEN,
ALS HY DAT MET DEN HENGEL ALLEEN DOET, MAAR VISCHOPSCHUTTING, AFPALINGEN, FUIKEN &
DIERGELIJK MAG NIEMANT GEBRUIKEN, OOK GEENE VISCH-SCHIPKENS, DAN ALLEEN STAMGENOOTEN,
DIE AAN DE ZEE WONEN, & WELKER ERFLOT
VAN DEZELVE BESPOELT WERD!
Hoewel de Joodsche Leermeesters niet allen van een gevoelen zijn,
en zommigen dat verstaan van allen zonder onderscheid, datze
GEEN SCHEEPKEN,
maar alleen netten & angelroede mogten gebruiken, indien ze aan de Galileesche zee grensden.
Doch het tegendeel blijkt hier; want deeze
GALILEESCHE
mannen
TRADEN AANSTONDS IN 'T SCHEEPKEN,
en steken van land in zee. Wie zal geloven, dat zy, die zo onlangs voor de Judeaers zich verborgen hielden, nu de Joodsche wetten zo stout verbroken, en in 't oog gelopen zouden hebben?
Te meer, als men stelt, gelijk eenigen doen, dat scheepken en netten
PETROS KEFAS
eigen waren, die by gevolg met zijne medevisschers niet konde afsteken, zonder bekend te zijn.
Want schoon zy betuigen,
ALLES
te hebben
VERLATEN
om 's Heilands wil, kan en moet dit zo verstaan worden, dat zy geen het minste goed,
en des zelfs gebruik behouden hadden, maar datze met hun heil-gezandschap bezig,
die goederen voor dien tijd verlieten. Zo vind men
PETROS KEFAS
in zijn
EIGEN HUIS,
of zijns vrouws huis te
KFAR NACHOEM.
Hoe
zoudenze ook anders
AANSTONDS,
zonder vertoef, of tegenzeggen van iemant,
alles by der hand, en
gereed gehad
hebben?
