De twee engelen
kwamen 's avonds in Sdom aan,
Lot zat juist i/d stadspoort.
Zodra hij hen zag
stond hij op, ging hun tegemoet en boog zich diep voor hen neer.
"Heren," zo sprak hij,
"Komt u toch met mij mee. Het huis van uw dienaar staat voor u open; overnacht daar
en was er uw voeten. Dan kunt u morgenvroeg uw weg vervolgen!"
~@~
"Nee, dank u," antwoordden ze,
"we overnachten wel op het plein!" Omdat hij echter sterk bleef aandringen, gingen ze met hem mee naar zijn huis.
Daar maakte hij een lekkere voedzame maaltijd voor hen klaar; hij bakte brood
en zij aten bij hem.
Maar voordat Lot en zijn gasten konden gaan slapen,
liepen alle geile muchomachomannetjes van Sdom bij Lots huis te hoop, jong en oud,
niemand uitgezonderd!
"Waar zijn die mooie mannen die bij jou overnachten?" riepen ze Lot toe.
"Breng ze naar buiten, we willen ze nemen!"
Lot ging naar buiten en deed de deur achter zich dicht.
"Maar lieve vrienden, zoiets kunnen jullie toch niet doen!" zei hij.
"Luister, ik heb twee jonge dochters die nog nooit met 'n man geslapen hebben.
Die zal ik bij jullie brengen, doe met hen wat jullie willen. Maar laat die mannen met rust,
ik heb hun niet voor niets een veilig onderkomen geboden!"
Maar ze schreeuwden tegen hem:
"Uit de weg!"
Ook riepen ze:
"Dat woont hier maar als vreemdeling en moet ons nu zo nodig ook nog eens
de wet gaan voorschrijven. Wacht maar, jij zult er ook van lusten, lelijke buitenlander,
en nog meer dan zij!"
Maar de twee mannen trokken Lot het huis in & deden de deur snel weer dicht en op slot,
en ze sloegen alle mannen die bij de ingang van het huis waren, jong en oud, met blindheid,
zodat ze daarna tevergeefs probeerden om de ingang te vinden!
Daarna vroegen ze aan Lot:
"Hebt u hier nog meer familie? Zonen, dochters, een schoonzoon,
ga met iedereen die bij u hoort zo snel mogelijk weg uit deze stad!
Wij staan namelijk op het punt om deze stad te verwoesten: er zijn zulke ernstige beschuldigingen tegen haar ingebracht dat de Eeuwige [verlichtend komende aanwezige & wordende in ons] ons hierheen heeft gestuurd om haar helemaal te verwoesten!"
Lot ging naar z'n schoonzoons, de mannen die met zijn dochters zouden gaan trouwen,
en zei tegen hen:
"Vlug, weg uit deze stad, want de Eeuwige [Heer Yahweh der machten en krachten]
gaat haar verwoesten!"
Maar zijn schoonzoons namen hem niet serieus.
Zodra het licht begon te worden zetten de angelen Lot aan tot grote spoed:
"Vlug nu, ga hier als de bliksem weg met uw vrouw en uw twee dochters, want anders komt u ook om en wordt u medeslachtoffer van de misdrijven die in deze stad zijn begaan!"
Toen Lot nog steeds aarzelde, grepen de mannen hem en zijn vrouw en zijn twee dochters
bij hun beide handen, omdat de Eeuwige [komende aanwezige & wordende in ons] hem wilde sparen,
& ze trokken hen vieren mee de stad uit!
Pas buiten de stad bleven ze eindelijk even staan.
Toen zei een van hen:
"VLUCHT!
Uw leven is in groot gevaar! Kijk niet meer om en sta nergens in de vallei nog stil! Vlucht de bergen in, want anders komt u allen om!"
Maar Lot antwoordde:
"Nee, dat niet, mijn heer! U hebt het allerbeste met uw dienaar voor, u bewijst mij een grote weldaad door mij in leven te laten. Maar ik kan onmogelijk naar de bergen ontkomen, het onheil zou mij inhalen en ik zou alsnog sterven? Dat kleine stadje daar is dichtbij, dat zou ik nog net kunnen halen.
Geef mij de kans om daarheen te vluchten want dat zou mijn redding kunnen zijn; het is maar een heel onbeduidend stadje!"
Hij kreeg ten antwoord:
"Ook in dit opzicht zal ik u ter wille zijn: het stadje dat u bedoelt zal ik niet wegvagen. Vlucht nu meteen daarheen en haast u, want tot u daar aangekomen bent kan ik niets doen!"
ZO
kreeg die stad de naam Tsoar
{'kleinigheid',
toen ik er in 't voorjaar van '67 aankwam was 't nog steeds heel klein & leek haast verlaten!}!
De zon was al opgegaan toen Lot
in Tsoar aankwam.
Toen
liet de
Heer [G d de
eeuwig komende aanwezige &
wordende in ons] uit de hemel zwavel & vuur neerkomen
op Sdom & Amora en hij vernietigde
die steden & de hele vallei,
met de inwoners van al
de steden met alles
wat er op
het land
groeide.
De vrouw
van Lot, die achter hem
aanliep, keek om &
veranderde in 'n
zuil van
zout.
