Yehosjoea
['g d redt'],
die niet verschenen was, om onbekend te blijven, zal den zijnen dus in dit, gelijk in andere voorvallen, gunstrijk voorkomen:
KINDERKENS,
zo zegt hy volgens de euangelist,
HEBT GY NIET EENIGE TOESPIJZE?
Vriendelijker, innemender, vaderlijker, konde hy de zijnen niet aan- en toe-spreken, als met dit woord, KINDERKENS!
Want dat zegt hier niet iemant, die jong van jaaren, maar die geliefd, en tederhartig bemind is.
Zo gebruikt het de veelgeliefde Apostel. als uit den mond der Heilands, als hy tot de gelovigen zegt:
MIJNE KINDERKENS, IK SCHRIJVE U DEEZE DINGEN, OP DAT GY NIET ZONDIGT, & INDIEN IEMANT GEZONDIGT HEEFT, WY HEBBEN EENEN VOORSPRAAK BY DEN VADER, YEHOSJOEA ONZE VERLOSSER,
DEN RECHTVAARDIGEN!
De LXX Overzetters gebruikten ons grondwoord
paidia,
dikwijls voor
bar,
dat eigentlijk 'n
kind betekent, dat geliefkoost, gestreelt, tederhartig gehandelt word. Waarom zommigen meinen, dat het van den Heiland gezegt word in een der PSALMEN,
KUS DEN ZOONE,
om dien
GELIEFDEN des Vaders aan te zijzen, in wien alle gelovigen,
KINDEREN & GELIEFDE
zijn. Zo maakt de wedergeboorte ook ons tot Zoonen & Dochteren des Allerhoogsten, & daar wy kinderen des toorns waren, gelijk alle anderen,
worden wy door
YESJOEA,
& den Geest van
YESJOE,
tot kinderen G ds, & moeten met heilige verwondering
uitroepen:
ZIET, HOE GROOTE LIEFDE ONS DE VADER BEWEZEN HEEFT, DAT WY KINDEREN G DS ZOUDEN GENAAMT WORDEN,
dat is, waarlijk kinderen G ds zijn.
Dat alles moet wel duiden
[ondanks alles!]
op bevrijding, verlossing, levenslust, gemeenschappelijkheid &
al die talloze mydibijbelverhaaltjes door vele tientallen eeuwen heen
overal op aarde waar we onze liefde voor elk ander ook lichamelijk uitdragen
als centraal punt van migranten die overal op aarde
[& daarbuiten?]
elkaar liefhebbend betuttelen, opnieuw ontdekken,
onder woorden proberen te brengen &
als het ware bij wijze van spreken
en schrijven betoverend bezingen
'al de dagen van ons o zo
korte bestaan'
...
