ER
TUSSEN 1871
& 1914 nauwelijks
een jaar was waarin
geen roman of novelle in
een Europees land verscheen
met een beschrijving van een verschrikkelijke
Toekomstige Oorlog: de 'vòlgende Grote Oorlog'
werd gezien als een afschuwelijke maar onvermijdelijke
Beproeving waaruit Dé Nátie met Hernieuwde Kracht & Élan
Zou Herrijzen? (Je MAINTIENDRAI, luctor ET emergo etceterara enzo!)
Aan het Begin van díe Nieuwe Eeuw gaf de Britse Dichter & Romanschrijver Thomas Hardy (1840-192

'n Schrijnend Beeld
Van de Moderne Situatie in: in 'The Darkling Thrush', dat hij schreef op 30 december 1900, schetste hij de deprimerende troosteloosheid v/d menselijke geest die geen toegang heeft tot de traditionele wegen om bij 'n besef v/d zin v/h leven
te komen. Hardy vergeleek de 'scherpe contouren' v/h winters landschap met 'het lijk v/d eeuw'; hij had de indruk dat
'elke ziel op aarde net zo futloos als ik' was? Plotseling begon een oude lijster ~ 'broos, mager & klein ~ te zingen &
stortte zijn ziel uit tegenover 't invallend duister! Terwijl hij naar dit 'bezielde avondlied' luisterde, kon Hardy alleen
maar met kalme, droevige aanvaarding blijven denken:
Zo weinig reden voor gezang
Van deze extatische klank
Was in aardse zaken opgeschreven
In de verte of heel dichtbij,
Dat ik denken moest dat er iets
In zijn blije avondzang klonk
Van Heilge hope, die hij kende
En waarvan ik niet wist.