Friedrich Schl. (1768-1834),
die sterk beïnvloed was door de beweging v/d romantiek,
kwam eveneens terug v/d newtoniaanse religie:
óók HÌJ zocht 'n aanwezigheid in 'de geest v/d mens'!
In zijn
Reden über die Religion (1799) betoogde hij
dat de religieuze zoek-tocht niet moest beginnen met 'n analyse v/d kosmos, maar in de diepten van de psyche.
Zo'n religie zou dan niet meer 'n verder zeer vervreemdende kracht zijn, maar intens betrokken bij alles wat
voor ons 'het allerhoogst & dierbaarst' was?! Gòd was NÚ ZÓ te vinden i/d 'diepten v/d menselijke aard',
in 'de grond van zijn daden & gedachten'. Dé essentie van religie lag i/h gevoel van 'absolute afhan-
kelijkheid' dat FÙNDAMENTEEL was
voor de menselijke ervaring.
Dìt hield overigens geen kruiperige slaafsheid
tegenover een verre, extern gemaakte god in:
de cruciale aspecten van ons leven ~ onze afstamming, de genetische erfenis, en de tijd en wijze van onze van onze dood ~
lagen geheel en al BÚITEN onze macht: we ervoeren het leven daarom als 'gegeven',
iets wat we ontvàngen hadden.
Deze 'afhankelijkheid' was niet alleen iets
wat door Gòd geïmplanteerd was, zij WÀS "G D", de bron & het 'vanwaar' van ons 'zijn'.
Tòch had déze theologie enigszins een reducerend karakter: voor Schleier-macher Friedrich
was dé mèns hèt MÌDDELPUNT, dé OORSPRONG & hèt DÓEL
v/d religieuze zoektocht geworden.
In plaats v/d ultieme verklaring voor het universum
was 'god' ("G D"

'n noodzakelijke consequentie v/d menselijke aard:
'n middel dat ons in staat stelt onszelf
(beter te leren)
te begrijpen?