ak189b in z'n "Onsamenhangendheid der filosofen"
STELDE AL-GHAZZALI UITEINDELIJK VAST DAT DE FAYSALUFS NÍET VOLGENS HUN EIGEN PRINCIPES TEWERKGINGEN.
ONZE RATIONELE VERMOGENS ZIJN ALLEEN IN STAAT WAARNEEMBARE GEGEVENS TE ONDERZOEKEN, DUS WAAR FALSAFAH WEL TOEPASBAAR WAS OP WISKUNDE, ASTRONOMIE EN GENEESKUNDE, KON HET ONS NIETS VERTELLEN OVER ZAKEN DIE VOORBIJ HET TERREIN VAN DE ZINTUIGLIJKE WAARNEMING LAGEN.
ALS DE FAYSALUFS OVER GOD SPRAKEN, MAAKTEN ZE ZICH DAN OOK SCHULDIG AAN ZANNAH, GÌSWERK.
HÓE KONDEN ZE DE THEORIE VAN DE GODDELIJKE AMANATIE BEWIJZEN?
Wat was hun bewijs voor hun bewering dat god niets van wereldse zaken afwist?
Door buiten hun boekje te gaan, waren de filosofen opgehouden filosofie te bedrijven.
Al-GHAZZALI zocht zekerheid, maar vond die bij geen enkele intellectuele beweging van zijn tijd.
Zíjn twijfels namen zó toe, dat hij een inzinking kreeg en gedwongen was zijn prestigieuze academische positie òp te geven: tien jaar lang woonde hij in Jeruzalem, waar hij zich verdiepte in de sofische rituelen en contemplatieve disciplines, en toen hij terugkeerde op z'n academische post, stelde hij zich op het standpunt dat alléén spirituele oefeningen als die van de soefi's ons zekerheid (WUJUD) konden bieden over het 'bestaan van g d'!?
Asih, man, 80 jaar
Log in om een reactie te plaatsen.
vorige
volgende