menu myDiary

34593G15DeTuinVanEden: eten, drinken & vrolijkheid

Q&@/peuter/kleuter/kinderzondagsschool!
Tóen G d (de Héér/'mvk/LHBTINT') uiteindelijk de aarde en de hemelen vast klaargemaakt had
& verder wilde gaan doen ontstaan & laten blijven bestaan was er op die aarde nog geen enkele plant of struik,
en er groeide aanvankelijk geen ènkel gewas want het had nog niet kunnen regenen op deze aardbol & ook was er niemand
die de bodem kon bewerken? Al wel steeg er een damp op úit de aarde: de hele aardbodem werd steeds vochtiger...
Toen vormde G d, dé Héér, úit aard-stof van de bodem 'de mènsch' & blies hem de benodigde levensadem in via mond & neus?
Zo ongeveer kwam de mènsch tot leven......
In Eden, in het oosten, legde G d de Héér 'n prachtige Túin aan en plaatste daar de mènsch die hij naar zijn eigen beeld &
gelijkenis had gevormd. Hij liet er allerlei verschillende mooie bomen met heerlijke vruchten groeien! In 't Midden van deze Hoftuin stonden twee heel merkwaardige bomen: de vruchten van de ene boom konden de mènsch 't eeuwige leven helpen geven & die van de andere boom meer inzicht in 't goede & 't kwade? Ìn Eden lagen er ook bronnen v/d rivieren die tuinen van water voorzagen: deze rivier splitste zich buiten die tuin in vier rivierarmen! Van deze rivieren heet de Eerste PISON, hij stroomt om het hele land Chawila heen, het land waar heel veel goud gevonden wordt: zuiver goud wordt daar gevonden, ook kostbare hars en onyxstenen. De Tweede Rivier heet Gichon, die om het land Nubië héénstróómt. En de Derde, die Tigris heet, stroomt ten oosten van Assur. De VIERDE tenslotte is de EUFRAAT. 't Wàs G d de Héér, die de mènsch plaatste in die Túin van Eden om haar te bewerken & te blijven onderhouden. Hij zei tegen de mènsch: 'Je mag wel eten van àlle bomen in deze Hoftuin, alleen niet van de boom die inzicht geeft in al 't goede & kwade! Want als je daarvan eet dan zul je sterven!' G d de Opperheer dacht bij zichzelf: 'Het is niet goed dat de mènsch àlléén op aarde is: ik zal iemand maken die goed bij hem past, die altijd naast hem kan staan!' Verder vormde 'hij/zij/het' uit de aarde alle dieren op het land & alle vogels in de lucht. Hij bracht ze allemaal stuk voor stuk bij de mènsch om te zien hoe hij ze noemen zou: elk dier zou de naam krijgen die de mènsch aan hem geven zou. Toen was 't dat de mènsch aan alle tamme dieren, alle vogels & alle wilde dieren namen gaf? Maar G d de Héér kon ook nog steeds iemand vinden die 't best bij de mènsch pàste
en in staat was om altijd naast hem te kunnen blijven om hem bij te kunnen staan.
Daarom liet G d de mènsch in 'n diepe slaap vallen
om zo één van zijn ribben weg te nemen: daarvan maakte
"HIJZIJHET" 'n vrouw die hij bij
de mens bracht,
& DE MENSCH
zei:
...
(wordt vervolgd)
cool!
knipoog