1. Metaal.
Chester liep eenzaam door het park. De afgelopen paar weken hadden hem weer flink te grazen genomen. Elke dag weer kreeg hij te maken met het feit dat zijn hart verloren was. Zijn hart zat niet meer op zijn plek en was gewoon.. kwijt. Hoe hard hij ook smeekte om hem terug te mogen krijgen, hij kon geen enkele hint vinden.
Eigenlijk begint dit verhaal jaren geleden, toen Chester zijn hart voor het eerst verloor aan zijn eerste ware liefde. Een liefde waar hij al zijn moeite en pijn in wou steken. Een liefde waar hij voor wou streven en voor wou sterven. Maar.. Zijn liefde werd niet beantwoord zoals hij het graag beantwoord had willen zien worden. Het werd in kleine stukje gescheurd toen hij de afgrond zag wat ze nou realiteit noemen.
Sindsdien is zijn hart altijd al kwijt geweest. Hij heeft het nergens meer kunnen vinden. Je hoort wel eens van de wanhopige pogingen die anderen doen om hun hart terug te krijgen, en zo hoorde Chester ook van die pogingen. Het zorgde ervoor dat er een sprankje hoop bij hem opdoemde, die hem vooruit leek te schitteren. Het leek, alsof er hoop was om zijn hart ooit nog te vinden.
Hij deed een poging en zette zijn beste beentje voor. Hopend op een goed en positief einde. Hij ging de gok aan en zette zijn hart aan. Een stomme zet als je al geen hart meer hebt om in te zitten. De andere gokker, die dit aanbod wel aanstond, ging erin mee.
Het langdradige middenstuk zal ik je vast niet uit hoeven te leggen, maar Chester verloor wederom aan het einde. En, met geen hart om in te leveren, kreeg hij een zware straf opgediend, namelijk eenzaamheid. Vandaar dus dat Chester vandaag de dag alleen rond moet zwerven met niemand om zich heen. Hoe zou je ook iemand om je heen kunnen hebben, als je geen hart hebt om een ander in te kunnen sluiten? Chester sloot iedereen buiten en dat was maar goed ook. Chester had niets goeds meer te zeggen over een ander of over de wereld en alles was in zijn ogen te min geworden. Alles kwam aan als een lastig pakket. Koppeltjes waren te klef, mensen waren te luidruchtig en laten we het al helemaal niet hebben over de steden die Chester met alle liefde mijd.
Chester liep dus eenzaam rond door het park. Een plek waar rust was, iets waar hij zich zo min mogelijk aan kon storen, en waar hij tot zichzelf kon komen. Hij dacht na over alle fouten die hij ooit in zijn leven had begaan, en vroeg zich af of dit gedeelde lot nou wel verdiend was. Voor hij zijn hart kwijt was geraakt was hij immers niets meer als een hardwerkende persoon. Jong, nog vol vreugde en had zijn jeugd nog volop voor zich. Nu leek Chester uit te groeien tot een verbitterde oude man die alle jongeren van zijn laan af zou sturen, zwaaiend met een wandelstok en al.
Chester ging stil, met zwarte en diepliggende ogen in het gras liggen, kijkend naar de wolken die langzaam en vredig voorbij kwamen drijven.
Hij voelde in de graspollen naast zijn lichaam naar een mooie strohalm die hij in z’n mond kon steken. Je moest immers iets in je mond hebben zitten wat je langzaam maar zeker aan het doodbijten bent, niet waar?
Hij liet weer een diepe zucht ontvluchten en zei met een diepe en zware stem: ‘Ben je hier alweer, Alice?’
Een meisje wat meer als een kop kleiner was als hem, plofte naast hem neer in het gras.
‘Je bent voorspelbaar, Chester’, zei ze met een van de vriendelijkste stemmen die je je maar in zou kunnen beelden. ‘Als ik jou was, zou ik maar een ander schema nemen waar je de boel komt terroriseren met je chagrijnig gedrag.’
Over dat deel loog de kleine Alice een beetje. Ze vond het absoluut niet erg dat Chester hier bijna elke dag om dezelfde tijd verscheen. Ze was er zelfs een beetje blij mee, aangezien hij het dichtste was wat voor haar ooit bij een vriend was gekomen.
‘Je weet hoe ik ben, Alice,’ antwoordde Chester uiteindelijk na een lange tijd te hebben gezwegen. ‘Ik stel het zeer op prijs dat je me elke dag met je vriendelijk gezelschap komt verblijden, maar iedere dag zie ik je steeds meer als een vloek als ik je zie. Jij leeft. Jij groeit. Je geniet van elke dag en dat kom je me iedere dag weer melden.. Terwijl je weet..’ Chester slikte even moeizaam. Het was voor hem altijd moeilijk om hierover te praten. ‘Terwijl je weet dat er voor mij niks te genieten is.’
Alice was stil geworden van dit antwoord. Ze wist nooit zo goed hoe ze Chester moest benaderen. Hij was altijd zo stil. Een vreemdeling van de maatschappij. En toch was er ergens iets in hem wat haar zo aantrok. Een krachtige pijn die recht door zijn ogen naar buiten leken te sijpelen. Soms deed hij haar denken aan een gewond dier wat enkel liefde nodig heeft en een helpende hand, daarom kwam ze zo vaak als ze kon naar het park.
‘Alice’, zei Chester opeens uit het niets, hij keek haar recht aan van bezijden. ‘Je weet dat ik graag alleen ben, toch?’
Alice knikte verlegen.
‘Zou je dan zo vriendelijk willen zijn en zo snel als je kunt de benen nemen? Ik ben geen oppas van je, anders kreeg ik wel betaald van die rotmoeder van je. En nou opgesodemieterd. Je weet dat ik een hekel heb aan kleine kinderen die hun neuzen in zaken steken waar ze niet thuishoren.’
Alice kneep even haar ogen stijf dicht. Ze wist dat het nu beter was om wijselijk haar mond dicht te houden en gewoon te vertrekken, zoals men met gezond verstand beaamt. Desondanks stond ze met een gemeende glimlach op en keek Chester recht aan in de ogen.
‘Ik zie je morgen weer,’ zei ze zachtjes en ze liep zachtjes neuriënd weg.
Chester keek haar na en mompelde toen tegen zichzelf: ‘Tot morgen Alice,’ en dutte toen in voor een kort middagdutje in het heerlijke lente zonnetje.
Chester wist dat hij niet meer heel was, met heel veel scheuren en zonder hart. Maar iets wat Alice deed, zorgde ervoor dat er telkens iets zachtjes en heel traag in dat zwarte gat klopte. Zijn hart was niet meer van metaal.
Chester, man, 125 jaar
Log in om een reactie te plaatsen.
vorige
volgende