2 september

Met haar kale kankerhoofd zit ze op het witte bed. Aan de binnenkant van haar neus zit, met een goedkoop uitziende bruine pleister, een draad voor sondevoeding vastgeplakt. Ze oogt uitgeput als wij de kamer binnen komen gelopen. De kar die we meezeulen maakt een hoop kabaal door de vierkante wielen en de vele buizen die vrolijk rinkelen, alsof ze diep met elkaar in gesprek zijn terwijl ze in de trein wachten op hun bestemming.

Misschien dat ik denk moe te zijn om drie uur 's nachts, maar het is duidelijk niets in vergelijking met haar fysieke, en mentale uitputting. De ingevallen ogen, de verslagen zucht als het mijn collega niet lukt om in één keer goed te prikken, de tweede, lichtblauwe mouw die wordt opgestroopt wanneer ik een poging tot boedafname doe. Dan blijkt ze koorts te hebben en moeten we er weer langs. Zelfs al heeft het helemaal geen nut, alleen maar omdat een protocol het zegt, de arts-assistent nieuw en onzeker is, en er geen temperatuur is gemeten voordat het lab werd gebeld.

Deze patiënten vreten tegenwoordig steeds meer aan me. Mentaal maakt het steeds meer indruk wat er te zien is, alsof mijn ogen voor het eerst in jaren echt weer open zijn.

Ik vermoed dat het er mee te maken heeft dat ik geen succesverhalen meer heb. Deze zin is heel bewust, want hoewel het me kan irriteren dat er teveel "ik" gebruik is in de verhalen die uit mijn vingers komen op het moment, besef ik me dat relativering hier belangrijker is dan een slecht onderbouwd gevoel dat een dagboekverhaal dat een dat over mijn leven, geen "ik" of in elk geval minder "ik" mag bevatten.
Het is namelijk niet zo dat er geen succesverhalen zijn. Het probleem is dat ik ze niet zie. Waar de verantwoording van de analisten vroeger een nauwe samenwerking was met de artsen op het kleine ziekenhuis waar ik praktisch woonde, zijn er nu enkel nummertjes en barcodes overgebleven. Bij nummertjes hoort geen verhaal, geen terugkerend gezicht, geen vermelding dat iemand van de IC naar de klinische afdeling is verplaatst om vervolgens naar huis te gaan.

Begrijp me niet verkeerd, ik had er op bepaalde nachten echt een tyfushekel aan om 's ochtends om zes uur op de CCU & IC te staan om bloed af te nemen na een nachtdienst. Maar na vier nachten waren het bekende namen en gezichten van zoveel verschillende mensen met verhalen en wensen.
Niets kan omschrijven hoe vrolijk men er van wordt om de vraag "Tot morgen?" te kunnen beantwoorden met:
"Nee hoor jongen, ik mag naar huis vandaag."

Hoewel ik twijfel of ik, met mijn dertigjarige lijf en vijftigjarige kop, nog aangesproken zou worden met "jongen", mis ik de succesverhalen. De mensen die genezen van kanker, de hartaanval overleven, de aneurisma's die we ondanks de grote hectiek naar hun gezin kunnen sturen.

Tegenwoordig zijn het allemaal nummertjes en barcodes. Er zit geen "persoonlijk" meer in "zorg".


-VLH
06 sep 2020 - bewerkt op 06 sep 2020 - 80x gelezen
Profielfoto van ViveLeHans
ViveLeHans, man, 30 jaar
 
Log in om een reactie te plaatsen.     vorige volgende