menu myDiary

34601 Toen vroeg G d de Heer aan de vrouw: ‘Waaròm

Q&@
WAAROM HEB JIJ DÀT GEDÁAN?’
‘DIE DRAAK VAN ‘N SLANG HEEFT ME BEDROGEN!’
antwoordde die eerste vrouw, ‘DAAROM HEB IK ERVAN GEGETEN!
Toen zei G d (dé héér) tegen die draak/slang: "OMDAT JÍJ DÌT GEDAAN HEBT, ZUL JE VERVLOEKT ZÍJN:
ÀLLE ANDERE DIEREN ZULLEN JE (VERAF)SCHUWEN, DE TAMME EN DE WILDE. JÍJ ZULT VOORTAAN OP JE BUIK
RONDKRUIPEN, STOF ZUL JE ETEN, JOUW HELE LÉVEN LANG! EN VIJANDSCHAP ZAL ER VERVOLGENS ALTIJD ZÍJN
TUSSEN JÓU EN DE VROUW, TUSSEN ÀL JULLIE NAKOMELINGEN: ZÍJ ZULLEN JOUW KOP VERTRAPPEN, EN JÍJ ZULT HEN
IN DE HIELD BIJTEN!' Tegen de VROUW zei hij: "Zwaar ZAL IK JOUW ZWANGERSCHAP BLIJVEN MÁKEN, MET VEEL PIJN BRENG JÍJ VOORTAAN KINDEREN TER WERELD! VERLANGEN ZUL JÍJ NAAR JOUW MÀN, HIJ ZAL JOUW HEERSER ZIJN!' Met andere wóórden:
Tegen de eerste man naar ZÍJN beeld en gelijkenis zei 'g d': "NAAR JOUW VROUW HEB JÍJ GELUISTERD, GEGETEN HEB JE
VAN DE BOOM DIE IK JÓU VERBODEN HAD?! DAAROM ZAL DE GROND VERVLOEKT ZIJN: VOORTAAN MÓET JE ZWOEGEN OM ERVAN
TE KÙNNEN ETEN, HEEL JE LÉVEN LANG! DOORNEN & distels zullen op je akker groeien, wilde planten zul je daarom moeten eten...
JIJ ZULT JE IN 'T ZWEET MOETEN WERKEN VOOR JE DAGELIJKS BROOD TOT JE ERBIJ NEERVALT & WEER TERUGKEERT IN DE AARDE WANT DAARUIT BEN JE GENOMEN EN VOORTGEKOMEN: UIT STOF BEN JIJ GEMAAKT EN STOF ZUL JE WEER WORDEN TOT SLOT!"
De eerste man noemde zijn eerste vriuw Chava/Eva: LÉVEN, omdat zij dé MÓEDER was geworden van al 't menselijk leven op aarde.
"G d (dé Héér)", maakte hun kleren van dierenhuiden voor die eerste man & z'n vrouw & deed hen die aan, tóen dacht hij: "ZO IS DE MENS AAN ONS GELIJK GEWORDEN, HIJ HEEFT NU EN HIER AL INZICHT VERKREGEN IN GOED EN KWAAD! Maar ik wil verhinderen dat hij ook nog de vruchten van de Lévensboom plukt, want als 'hij/zij/het' díe éét, zal hij alsmaar weer voor altijd verder blijven dóórleven? Daarom “stuurde g d de heer hen wèg” úit z'n Hoftuin van Eden om voortaan de grond te blijven bewerken waaruit hij hem zelf ook gemaakt had! Hij joeg de mènsch wèg & stelde aan de oostkant v/d Túinhof van Eden wachters òp & 'n Vlammend Zwaard dat flitsende heen en weer bewogen werd: alleen zó kon geen mènsch meer bij de Lévensboom komen om die te misbruiken? {GEN 3:1-24}
Van 't één komt
al 't andere...